Skip to: site menu | section menu | main content
Pagina 2 van 4
Auteur: Bavo Dhooge
Uitgever: Davidsfonds
© 2007 | Bavo Dhooge (alle rechten voorbehouden)
Gedurende zijn eerste
werkdag met Suzanne kwam Maurice een paar keer in de verleiding om op haar
mededelingen te antwoorden. Meer dan eens kwam het in hem op om iets te uiten
zoals:
‘Oké, ma’m.’ of:
‘Gotcha, miss.’ Of zelfs iets in de zin van:
‘Ik ga waar jij wil dat ik ga of waar jij gaat, liefje.’
De laatste keer had Maurice zelfs niet door dat hij het luidop had gezegd want
de ritten naar de verschillende klanten waren niet van de minste en duurden soms
meer dan twee uur. Naarmate de dag verstreek, leerde Maurice zijn Suzanne beter
en beter kennen. Terwijl hij in de file stond, lette hij steeds meer op haar
intonatie die zachtjes de hoogte in ging of soms onverwachts en abrupt afbrak.
Haar perfecte gebruik van de pauzes en stiltes maakte de hele zaak spannend en
heel even vroeg Maurice zich af hoe die Suzanne er in werkelijkheid uitzag. Want
de stem was natuurlijk een robotstem, maar wel degelijk gebaseerd op de fluwelen
stem van een echte vrouw die ooit achter een microfoon had plaatsgenomen.
‘U hebt uw eindbestemming bereikt.’
Meer dan eens was deze zin het voorlopige einde van hun samenwerking. Maurice
nam dan zijn aktetas en schakelde haar voor een tijdje uit om met zijn klant te
spreken. Toen hij een uurtje later weer instapte en haar aanschakelde, klonk ze
als een huisvrouw die hem bijna zou vragen hoe het op het werk was geweest. En
dan begon het hele spel weer van voren aan.
‘Sla linksaf en verlaat het parkeerterrein…’
Nooit klonk ze bazig of autoritair en tegen het einde van de dag deed ze Maurice
bijna vergeten dat hij ’s avonds voor het eerst in twee jaar weer eens een echte
vrouw zou ontmoeten.
Het was min of meer een blind date, tenminste, hij had de vrouw leren kennen op
café, met een paar kennissen, maar die avond zou hij haar voor het eerst alleen
gaan opzoeken. Het adres kleefde al de hele dag in de vorm van een post-it op de
zonneklep.
‘Zonnestraat 15.’
Het was het laatste adres dat Maurice die dag doorgaf aan zijn trouwe
secretaresse Suzanne. Zij was natuurlijk niet in de veronderstelling dat het om
een privé-afspraak ging. Voor haar was dit niet meer dan een zoveelste klant. En
wat dan nog: het was en bleef een computer natuurlijk! Er bestond volstrekt geen
reden voor Maurice om geheimzinnig te doen.
‘Aan de eerste rotonde neemt u de tweede afslag, richting kust. U bevindt
zich vervolgens op de expressweg…’
Terwijl Maurice zich achter het stuur in een ander, fris hemd wrong (hij stuurde
met zijn knie, ja, dat duo-rijden had hem geen windeieren gelegd), voelde hij
zich toch even anders tegenover zijn Suzanne. Nog een geluk dat ze alleen een
stem en geen ogen had, anders had ze hem misschien wel kunnen betrappen.
‘Tweehonderd meter verder steekt u het kruispunt over en neemt de secundaire
weg…’
Ze deed haar job. Niet zoals zijn ex, die hem tijdens zijn vroegere trips en
vakantiereizen ronduit tergde. Voor haar was het geen job geweest, maar
een hobby. Een hobby om hem te pesten met zijn gebrek aan oriëntatiegevoel.
‘Zijn we hier al eens niet voorbijgereden?’ vroeg hij dan meer dan eens toen ze
het noorden letterlijk en figuurlijk kwijt waren.
‘Ik zou het niet weten,’ zei ze steevast. ‘Jij rijdt.’
‘Jij hebt toch ook ogen in je hoofd?’
‘Ja, maar je luistert toch niet naar mij.’
‘Jawel! Ik heb net de weg genomen die jij me hebt verteld.’
Meer dan eens deed zijn ex er gewoon het zwijgen toe. Koppig, als een mislukte
of kapotte boordcomputer zweeg ze. En zo reed Maurice verloren en kwamen ze meer
dan eens uren te laat aan in het bungalowpark of de chalet die ze in de Ardennen
hadden gehuurd.
‘Sla hier dan linksaf. Aan die rotonde moest je de derde afslag nemen.’
‘Dat héb ik gedaan,’ protesteerde hij altijd.
‘Niet waar!’
‘Wel waar!’
‘Wel, doe het dan nog een keer en je zal zien…’
‘Wat zal ik zien? Dat de wereld er ondertussen op veranderd is en dat er
ondertussen wél een weg is aangelegd?’
Wat een verschil met de rust die van Suzanne uitging. Zij verhief niet één keer
haar stem, maar bood hem telkens troostend de juiste richting aan. Als Maurice
niet beter had geweten, hij had haar blindelings vertrouwd, en niet alleen wat
de rijrichting betrof. Welke mode hij moest volgen, welk dieet hij moest volgen,
welke films hij moest bekijken, welke vrouw het beste bij hem paste.
De vrouw die zijn vrienden hem die avond wilden ‘aanbieden’, zat nu op hem te
wachten. Hij hoopte maar niet dat hij weer maar eens verloren zou rijden.
Gelukkig was er nog Suzanne…
Het begon wat mistig te worden. Maurice keek op zijn horloge en zuchtte
opgelucht toen hij merkte dat het pas halfacht was. Hij was ruim op tijd en reed
het dorpje binnen.
‘Aan het volgende kruispunt slaat u rechtsaf, richting centrum.’
Maurice bleef midden op het kruispunt staan en hield de voet boven het
gaspedaal.
‘Wat is dat nu?’
Hij keek links en rechts. Er stond een wegwijzer, maar die wees in westelijke
richting. Links dus en niet rechts zoals Suzanne aangaf.
‘Nooit in discussie treden met een vrouw. Ook niet met computers. En zeker niet
als het om een vrouwelijke computer gaat,’ hield Maurice zich voor. Hij draaide
aan het stuur en sloeg rechtsaf.
‘Misschien kent ze een binnenweg of zijn er ergens wegenwerken.’
Ondertussen maakte de mist het zicht er niet beter op. Maurice voelde zich
steeds meer als een blinde, die niet werd geleid door een herdershond, maar door
een computerstem.
‘Op driehonderd meter aan uw rechterkant slaat u linksaf…’
Maurice vloekte toen hij het verhoopte resultaat niet zag.
‘Verdomme. Eén dag oud en nu al naar de knoppen.’
[lees verder] [<<]