Skip to: site menu | section menu | main content
Auteur: Bavo Dhooge
Uitgever: Davidsfonds
© 2007 | Bavo Dhooge (alle rechten voorbehouden)
5 juli 2007 | Op de website van Ezzulia plaatsen wij regelmatig
korte verhalen. De meeste hiervan worden exclusief voor Ezzulia geschreven en
zijn nergens anders te vinden. Deze keer een verhaal van Bavo Dhooge
(Gent, 1973), een zeer productieve Vlaamse schrijver. Hij debuteerde als
misdaadauteur in 2002 met SMAK, het eerste deel van een reeks met als
hoofdpersoon de Gentse privé-detective Patrick "Pat" Somers. Inmiddels heeft
Dhooge zo'n vijfentwintig boeken geschreven, waaronder ook verhalenbundels,
literaire romans, een tennisroman, jeugdthrillers, kinderboeken en een
biografie.
Maurice Willems was de
enige op kantoor die geen mannen-, maar een vrouwenstem had gekozen voor zijn
boordcomputer. Hij was zich van geen kwaad bewust, integendeel, hij bewees er
het andere geslacht een dienst mee, zo zei hij, want hij was nu eenmaal voor
gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Meer nog; zonder het zelf uit te spreken,
vond hij zijn mannelijke collega’s seksistische macho’s en zijn vrouwelijke
collega’s flirtige seuten omdat ze voor een mannenstem hadden geopteerd.
Hij had het natuurlijk niet bewust zo geregeld, maar de dag dat de nieuwe wagens
met hun GPS-systemen op de parking van het bedrijf werden afgeleverd, sprong die
van Maurice er onmiddellijk uit. Terwijl de andere mannen moesten luisteren naar
een zekere Tom Tom of Mister Road, mocht Maurice zich verlekkeren
aan de sexy stem van Suzanne.
‘Zo, met dit steuntje in de rug verwacht ik natuurlijk nog betere resultaten,
mensen,’ lichtte de directeur triomfantelijk toe en hij klapte in zijn handen
alsof hij verwachtte dat zijn werknemers terstond gelijktijdig in hun wagen
zouden stappen, en op de denkbeeldige maat van een musical samen het terrein
zouden afrijden, op zoek naar nieuwe klanten.
‘Jij zal vanaf nu tenminste geen overuren meer moeten kloppen, Willems,’ had een
collega gesneerd.
Neen, maar kloppen deed het wel. Sinds hij twee jaar geleden als
vertegenwoordiger in dit bedrijf was begonnen, was Maurice Willems doorgaans
niet voor acht uur thuis. Niet omdat hij zo hard werkte of zo laat nog afspraken
had, maar gewoon omdat hij altijd compleet verloren reed. De wegenkaarten die in
het handschoenenkastje staken; hij deed zelfs geen moeite meer om ze te
raadplegen. Voor Maurice waren ze niet meer dan abstracte kunstwerken waar hij
kop noch staart aan kreeg.
‘Neen, voortaan heb ik de perfecte gids. De ideale reisgenoot,’ lachte Maurice
groen.
‘Ja, en een wijf dan nog. Pas maar op dat ze je niet onder de sloef houdt.’
De kring met collega’s barstte in lachen uit. Ze stonden allemaal in het felle
zonlicht op de parking. Het was lunchuur. Daarna zou het startsein worden
gegeven en mochten ze, een voor een, de baan op met hun reisgezel.
‘Vergeet dat maar,’ zei Maurice in het wilde weg. ‘We zullen het goed met elkaar
vinden. Dit is een vrouwtje dat altijd beleefd blijft en met twee woorden
spreekt.’
‘Ja? Je weet niet wat je je op de hals hebt gehaald, Mootje,’ zei d’er
een. ‘Het zou bij mij niet pakken. Ik vertrek elke ochtend om dat gezaag van
mijn wijf achter me te laten. Ik heb niet veel zin om nog meer gezaag te horen
als ik in mijn wagen stap. Nee nee, die wagen is voor mij en mij alleen.’
‘Mootje hier moet nog heel wat leren,’ sneerde een andere collega. ‘Ze zal hem
misschien niet alleen de weg naar de klanten wijzen. Misschien zal ze hem ook
nog meenemen naar andere oorden, als je begrijpt wat ik bedoel. Straks brengt ze
hem nog in hogere sferen.’
Weer een bulderlach. Maurice nam een laatste hap van zijn boterham die hij die
ochtend zelf had gesmeerd, maar het smaakte niet meer. Hij wilde weg. Weg van
dit parkeerterrein, weg van die varkens en weg met de wagen. Hij en Suzanne.
Alleen, op weg naar de vrijheid.
‘Jaja, lach maar,’ besloot hij, maar de grap die hij wilde vertellen, kwam niet
meer.
‘Zeg, Mo,’ zei iemand. ‘Kan je haar ook vuile praat laten verkopen?’
Toen ze allemaal ingestapt waren en Maurice de wagen al had gestart, wist hij
opeens weer de gevatte opmerking die hij had moeten maken:
‘Ik ben verloren zonder haar. Zonder mijn Suzanne ben ik stuurloos.’
Op weg naar zijn eerste klant die hij samen met haar zou bezoeken, stelde hij de
eindbestemming in op de boordcomputer:
‘Industriepark A…’
Hij toetste de naam van de stad en de straat in en wachtte op de eerste melding.
Haar eerste woorden. Hoe zou ze klinken? Hees, lichtvoetig, hard, serieus? Neen.
Ze klonk verrassend menselijk en minder monotoon dan hij had verwacht:
‘Sla linksaf richting N 60. Aan de eerste lichten neemt u rechts. Op zeshonderd
meter gaat u vervolgens de oprit van de snelweg op…’
Het waren directe orders, maar iets in Maurice vertelde hem dat ze het speciaal
voor hem opdreunde. Hoe meer en hoe langer hij naar haar hypnotiserende, mooi
articulerende stem luisterde, hoe meer hij in vervoering geraakte. Het was
natuurlijk op zich al een opluchting om niet meer op wegwijzers te moeten
letten. Maar nog meer dan dat voelde Maurice zich opgelucht omdat hij voor het
eerst in jaren weer het intieme geluid van een vrouw hoorde.
Sinds zijn scheiding had Maurice immers geen fatsoenlijk gesprek meer met een
vrouw gehad, laat staan een relatie.
‘Twee kilometer verder sorteert u rechts voor en neemt u richting E 313. Hou
rekening met wegenwerken op de grote ring. Kies de alternatieve route…’
Het waren gegevens, niet meer dan dat, maar Maurice hield zich voor dat het meer
dan dat waren: geen liefdesbetuigingen natuurlijk, maar mededelingen, zoals een
vrouw hem zou benaderen en over koetjes en kalfjes zou praten, over het weer,
over de mode, over de files.