Skip to: site menu | section menu | main content

 

Currently viewing: www.ezzulia.nl » Verhalen

KATTENVAL

Auteur: Brian Freeman
Uitgever: The House of Books
Meest recente boek: De Stalker (verschijnt mei 2008)

© 2007 | Brian Freeman (alle rechten voorbehouden)
Vertaling: Chrisje van Hoecke


Op de website van Ezzulia gaan wij regelmatig korte verhalen publiceren. De meeste hiervan worden exclusief voor Ezzulia geschreven en zijn nergens anders te vinden. Deze keer een prachtig en nog nooit eerder in het Nederlands verschenen verhaal van Brian Freeman, auteur bij The House Of Books. Binnenkort gaat daar zijn nieuwe thriller De Stalker verschijnen.

Brian Freeman is regelmatig te gast op het forum van Ezzulia en schrijft tevens columns voor onze website.


        Joachim Mauss boog zich over het canvas terwijl hij een vlijmscherp mesje tussen duim en wijsvinger klemde. Het vergrootglas dat hij tegen zijn gloeiende wang hield, vergrootte het stukje waar hij ingespannen aan het werk was. Met de grootst mogelijke zorgvuldigheid bewerkte hij het doek, waarbij hij met de punt van het mesje de kostbare verf in druppels bijeen schraapte en heel precies in het ingewikkelde patroon schikte.
         Hij was gek op cirkels. Ze moesten in alle opzichten perfect zijn, elke druppel met de juiste afmetingen, en de omtrekken moesten zuiver en glad zijn. Bij de kleinste onnauwkeurigheid maakte hij de plek zorgvuldig schoon en begon opnieuw. Het was monnikenwerk en bovendien nog smerig ook. Hij had een witte kiel aangetrokken om geen spatten op zijn kleren te krijgen, een masker voor zijn gezicht gedaan en een plastic kapje op zijn hoofd. Op die manier had hij iets van een chirurg. Alleen had hij blote handen. Hij had geprobeerd met latex handschoenen te werken, maar dat ontnam hem het fijne gevoel dat hij nodig had bij het hanteren van zijn mesje. De rubber vormde een onoverbrugbare kloof tussen hem en zijn werk, waar hij zo dicht bij wou zijn dat het leek of hij er deel van uitmaakte, er de liefde mee bedreef. En niets kan daarbij het gevoel van huid op huid vervangen.
         Hij werkte verder in een haast volmaakte stilte, die enkel werd onderbroken door het tikken van de grote bronzen klok die hij van zijn moeder geërfd had en die zijn werk als een strenge metronoom in stukjes hakte. Nochtans hechtte hij geen belang aan de tijd. Zijn scheppingswerk kon niet gehaast worden. Vaak werkte hij de halve nacht door om dan een gat in de dag te slapen. De dag bracht mensen, geluiden en afleiding. Joachim moest zich kunnen opsluiten in een soort luchtbel van concentratie, die zo broos was dat ze bij het minste uiteenspatte. En als ze eenmaal kapot was, duurde het lange kostbare minuten eer hij zich een nieuwe kon maken.
         Zoals ook nu gebeurde.

 

         Joachim week geschrokken achteruit door een hels kabaal bij het raam achter zich. Door de bruuske beweging maakte hij een vlek op het canvas en hij vloekte hartgrondig. Hij vloog recht. Voor het raam hing een dik gordijn waarvan  hij voorzichtig een hoek opzij plooide om een blik naar buiten te werpen. Zijn studio lag half verzonken en het raam keek uit op een betonnen binnenkoertje, waar een ijzeren trap uit het steegje afdaalde en waar voorbijgangers flessen en afval naar beneden gooiden. Het was een winternacht; de sneeuw had zich opgehoopt op de richel. Hij boog naar voor maar zag niets. Toen het geluid weg bleef, richtte hij zijn aandacht weer op zijn werk, maar op hetzelfde moment schrok hij op door weer datzelfde jankende gemiauw. 
         Een klein, doorweekt, donker iets sprong van het steegje op de richel en staarde hem aan met geelgroene ogen.
         Een kat.
         Joachim haatte katten. Hij haatte hun hooghartige en heimelijke gedoe. Toen hij nog een jongetje was, had zijn moeder ook een kat gehad die hem krabde toen hij haar wilde oppakken, en toen het beest het bloed van zijn gezicht wou likken maakte dat enkel zijn afschuw voor het gore scharminkel nog groter. De jaren hadden zijn wrevel niet gemilderd. Als hij zwerfkatten zag in het park werd hij razend om hun ijskoude blikken.
         “Scheer je weg!” schreeuwde hij, terwijl hij met zijn vuist krachtig tegen het raam sloeg zodat hij bang werd het glas te breken. Hij gedroeg zich onnozel, maar hij was niet in staat zijn drift in toom te houden. De kat bleef ijzig kalm zitten en gaf geen krimp. Lenig sprong ze van de richel op het pad en trippelde de treden op naar de steeg. Joachim zag nog net hoe ze haar kop omdraaide en hem met een venijnige blik aankeek voor ze verdween.
         Joachim draaide zich weg van het raam en nam de schade op die hij met zijn uitschietende mes had aangericht. Minstens vier vierkante cm moesten opnieuw zorgvuldig schoongemaakt en dan weer bewerkt worden. Het werk van minstens twee uur naar de bliksem. Zijn handen trilden van woede. Op zijn moeders klok zag hij dat het bijna drie uur in de ochtend was, en hij wist dat hij zich voor de volgende ochtend niet meer zou kunnen concentreren. Hij kon hier niets zinnigs meer uitvoeren. Die kat had zijn mooie werk gesaboteerd.
         Joachim ontdeed zich van zijn kiel, muts en maskertje die nu helemaal onder de spatten zaten en nog weinig wit vertoonden. Hij hing alles op aan een draad boven een plastic zeil. Ook onder de ezel met het canvas lag een plastic zeil en dat zat al even erg onder de spatten. Hij hield zijn hoofd schuin, bekeek het doek en bestudeerde het werk dat hij gedaan had, en toen draaide hij het licht uit en slenterde de trap op naar het gelijkvloers, waar zijn bed stond.
         Hij kleedde zich uit en maakte zich op om te gaan slapen. De overgordijnen in zijn minuscule slaapkamer waren even dik als die in het atelier, omdat hij vaak gedurende de dag in bed lag. Hij lag boven op het laken dat zijn gezicht schuurde en naar schimmel rook. Hij staarde met zijn ogen wijd open in het donker. Meestal als hij zo lag vielen zijn ogen op een gegeven moment vanzelf dicht, waarna hij zachtjes in slaap sukkelde. Hij hield van dat gevoel als zijn lichaam eindelijk de spanning kon afschudden en zijn spieren slap werden. Toen zijn geest uiteindelijk zijn grip op de realiteit verloor, sloot hij zijn ogen en glimlachte, om het volgende moment klaarwakker te schieten door hetzelfde schrapende geritsel bij het raam.
         Joachim trok met een zwaai het overgordijn open om te kunnen zien wat de oorzaak was.
         Weer keek hij in de geelgroene ogen. De kat was terug.

 

* 

 

Het was een straatkat, bleek en kalm, een echt roofdier. Haar pels was verward en kort, een rommelig mengsel van zwart en oranje, met een zwarte veeg op de bovenlip als een gekreukte snor. Er zaten scheuren in de vacht. Een oor was gerafeld alsof er een stuk was uitgebeten tijdens een gevecht. De wimpers waren onnatuurlijk lang, als weerbarstige lokken in een haarborstel.          De kat hurkte terwijl ze Joachim in het oog hield, de poten netjes onder zich gevouwen. Gescheiden door het glas waren ze niet verder dan een tiental cm van elkaar verwijderd, oog in oog. De kat bekeek hem met zo’n koude berekende blik dat hij zich opnieuw het jongetje van zes voelde, boos en bang tegelijk, met bloed op zijn vingers. Joachim verafschuwde dat gevoel van machteloosheid. Talloze vrouwen hadden hem dat gevoel gegeven doorheen zijn leven. Zijn moeder. Zijn leraressen. De meisjes op school. Hun dominantie had hem verlamd en geïntimideerd en hij had steeds een gevoel van onmacht gehad.
        Joachim was niet groot van gestalte. De meeste mannen waren groter, breder in de schouders en sterker. Hij had zachte, vrouwelijke trekken en een weke kin. Zijn slanke handen, onmisbaar bij zijn secure werk, waren niet gemaakt om tot vuisten te ballen. Zijn haar was stroblond. Soms dacht hij dat hij beter een vrouw was geweest, want als man stelde hij niet veel voor.
        De kat leek zijn gedachten te lezen. Ze zag haarscherp zijn gebreken. Toen Joachim met de vlakke hand op het glas sloeg en riep, kwam er geen enkele reactie. Even wenste hij dat hij het raam kon openrukken en het ondier binnen sleuren, maar de gedachte aan de tanden en klauwen maakte hem bang. Hij liet het overgordijn weer dichtvallen en zijn lafheid benauwde hem.
        Joachim lag in bed, maar hij voelde de aanwezigheid van de kat dwars door het overgordijn. Hij kon de slaap niet vatten. Na een uur draaien en keren stond hij op. Hij moest weten of zijn kwelgeest daar nog altijd zat. Voorzichtig lichtte hij een hoekje van de stof op. Hij kon reeds het zachtroze licht van de januariochtend in de lucht zien. Op het glas bloeiden ijsbloemen.
        Een zucht van opluchting ontglipte hem. De kat was weg. 

 

*


        Joachim kwam altijd onder druk te staan als een doek zijn voltooiing naderde. De natte verf op het doek werd door de muffe lucht in zijn appartement aangetast. Hij moest er dus een strakke timing op na houden. Als hij te snel ging, bleef het resultaat beneden zijn verwachting. Ging hij te langzaam, dan was de frisheid en helderheid er vanaf. Zijn eerste doeken waren slordig, omdat hij de techniek nog niet onder de knie had, maar met elk werk groeide zijn vakmanschap. Hij wist exact wat hij moest doen en wanneer het er de juiste tijd voor was. De volgende dag bleef hij bijna vierentwintig uur bezig, zodat hij het werk kon afmaken op precies het goede moment.
        Zijn achtste meesterwerk in een jaar tijd!
        Hij keek vanuit een houten stoel naar het resultaat van zijn noeste arbeid  en knikte tevreden. Niemand  keek met een kritischer oog naar zijn doeken dan Joachim zelf, maar hij vond geen fouten. Zelf het gedeelte waar hij had geknoeid door de schuld van de kat was op een onzichtbare manier gerestaureerd. Met zijn monocle haalde hij elk detail van het schilderij naar voor, controleerde elke cirkel, elke druppel, elke penseelstreek en beoordeelde die op plaats, vorm, directheid en afmeting. Hij was in de wolken.
        Het enige wat hem nog te doen stond, was het schilderij klaar te maken om het aan het publiek te tonen. Joachim ging van zijn atelier naar boven naar de keuken en merkte dat hij flinke honger gekregen had. Hij nam rustig de tijd om een boterham klaar te maken en een biertje te drinken. Hij was in dagen niet zo ontspannen geweest. Morgen zou hij weer op zijn van de zenuwen, in afwachting van de recensies. Een groot artiest wordt zelden naar waarde geschat, maar Joachim kon nooit weerstaan aan de aandrang te lezen wat er over zijn werk geschreven werd en hij wond zich onveranderlijk op over de soms vernietigende commentaren. Grotesk, noemde een vrouw het. Verdorven, meende een ander. Alsof zij het beter konden. De woorden konden hem uiteindelijk niet weerhouden verder te gaan. Integendeel, ze spoorden hem elke keer aan nog beter te doen.
        Het werd tijd om weer naar beneden te gaan en de laatste hand te leggen aan zijn werk.
        Hier overviel hem altijd de twijfel. Als alles áf was. Vandaar ook dat hij het definitieve einde altijd uitstelde door te gaan eten en drinken. Hij verafschuwde de gedachte dat hij de volgende keer weer voor een leeg doek zou staan. Voor elk werk moest hij weer een gigantische dosis passie opwekken. Niemand begreep hoe uitputtend zoiets kan zijn.
        Joachim kwam terug in zijn atelier.
        De horror van de aanblik bij wat hij aantrof was bijna niet te vatten. Zijn mooie schilderij, het resultaat van dagen en dagen werk, was volledig vernietigd. Het zat onder de vegen. Het was gescheurd. Er was overheen gelopen. Zijn geduldige perfecte geometrie totaal om zeep. En midden er bovenop bevond zich  de oorzaak van de ellende.
        De kat.
        Op één of andere manier was het beest binnen geraakt. Wijdbeens stond ze midden op het doek, met gekromde rug, de pels gespikkeld met rode verf zoals de punkers in het dorp.
        Joachims mond viel open. “Oh hemel! Grote god! Wat heb je uitgespookt!        ”Joachim deed een stap naar voor, en de kat sloeg meteen haar klauwen uit en siste, een gorgelend spuwend geluid dat uit het diepste van haar keel kwam. De ogen gloeiden als hete kolen. De poten waren gespannen, klaar voor de sprong. Joachim hief zijn handen voor zijn gezicht en week achteruit.
        “Weg, smerig best! Scheer je weg!”
        Maar de kat bleef onbeweeglijk in haar woedende pose. Het grauwen klonk laag en onheilspellend.
        Joachim balde de vuisten. Hij voelde zich als een bedrogen echtgenoot, moedeloos en uitzinnig van woede. Hij stond te stampvoeten en met zijn armen te zwaaien, met als enig resultaat dat de kat nog harder siste en de oren plat in de nek vouwde. De tenen kromden zich zodat de klauwen bloot kwamen. Ze was niet van plan Joachim ook maar in de buurt van het doek te laten komen. Niet zolang ze leefde.
        Hij tierde.
        “Hoe durf je!”  
        “Hatelijk monster!”
        “Maak dat je weg komt, stuk ongeluk!”
        De kat bekeek hem met ijskoude verachting.
        Joachim probeerde zijn moed bijeen te rapen. Klein als hij was, was hij immers toch altijd nog een flink stuk groter dan dat miezerige mormel. Maar toen hij opnieuw bewoog opende de kat haar muil en toonde haar vlijmscherpe tanden, glanzend wit en puntig en Joachim kon ze al bijna voelen doordringen in zijn ledematen als een mes in zachte boter, terwijl de klauwen zijn huid aan flarden scheurden.
        Hij verdroeg geen pijn.
        Joachim vluchtte. Hij knalde deur achter zich toe, zodat de kat binnen achterbleef met het vernielde doek.

 

 *

 

        Twee uren gingen voorbij.
        Joachim zat op de grond met zijn rug tegen de deur en huilde van frustratie. De toestand was onuitstaanbaar. Dat monster had zijn werk onteerd en hield zijn atelier bezet. Het zat daarbinnen en maakte zich vrolijk om hem, Joachim, zoals vrouwen zich over hem vrolijk hadden gemaakt in de afgelopen   jaren.
        Hij moest iets doen.
        Joachim had geen geweer en kon zich trouwens geen lawaai veroorloven dat de hele buurt in rep en roer zou zetten. Hij kon gif door eten mengen en neerzetten, maar wie wist hoelang het zou duren eer de kat er van zou eten? Joachim kon niet zolang wachten.
        Eigenlijk had hij de oplossing al in de handen.
        Hij had een hakmes gegrepen toen hij in de keuken kwam. Het rechthoekige blad glansde zilverachtig en scherp. Zo scherp dat het met één welgemikte hauw een kop van een lijf kon scheiden. Meer had hij niet nodig dan dicht genoeg bij het monster te komen om zijn wraakoefening te voltooien. Het zou een hoop rommel geven, maar het zou niet echt veel van zijn zenuwen vergen. Joachim had geen angst voor bloed. Bloed, in al zijn helderrode schoonheid, deed hem aan verf denken.
        Het grote probleem was dat Joachim de moed niet kon vinden om de kat in de ogen te kijken. Hij moest er iets op vinden om haar af te leiden, haar in de val te lokken zodat hij achter haar kon komen met het hakmes in zijn hand geklemd. O, de voldoening om dat rotbeest in twee te hakken! Om toe te zien hoe het zilverkleurige hakblad door pels en beenderen gleed!
        Een kattenval. Dát had hij nodig. Maar hoe flik je zoiets?
        Joachim zette zich aan het denken. Om de haverklap opende hij de deur op een kiertje zodat hij in zijn studio kon gluren. De kat had zich opgekruld tot een harige bal en sliep gelukzalig midden op het canvas, maar zodra Joachim heimelijk dichterbij probeerde te komen, werd hij door de plankenvloer verraden, de kattenogen werden op spleetjes geopend en de pels ging overeind staan. Het waarschuwende gegrom diep in de keel deed Joachim terug wijken.
        Weer gingen twee uren voorbij.
        Toen Joachim bedacht dat de situatie niet hachelijker meer kon worden, steeg uit de kelder een bijna onaards oergeluid op dat hem noopte de handen tegen de oren te drukken. De kat zette het op een huilen alsof ze krols was en alle andere katten uit de stad opriep zich bij haar in het atelier te voegen. Het was een hels kabaal.
        Joachim sloeg lijkbleek uit, stelde zich voor hoe het lawaai door alle muren van zijn appartement moest dringen en de buren wakker maken en zelfs voorbijgangers in de steeg doen opschrikken. Hij moest hier een eind aan maken! Dit kon niet langer blijven duren! Hij drukte zijn vuisten tegen zijn slapen en probeerde na te denken.
        En toen kreeg hij een inval. Hoe kon je een kat beter verschalken dan met een muis?
        Dat was het gedroomde lokaas. Iets waar het monster onmogelijk aan kon weerstaan. Een prooi voor een jager.
        Om de hoek was een dierenhandel. Joachim trok zijn jas aan om de snijdende winterkou tegen te houden en baggerde door de dikke sneeuwlaag naar de hoek van de straat. De verlichting in de vitrine brandde nog om de voorbijgangers de kans te geven binnen te kijken, maar de rest van de winkel lag in diepe duisternis verzonken. Hij zag wel een dozijn katten naar hem zitten gluren vanuit de vensterbank. Ze stonden overeind in hun kooien, klaarwakker, krijsend, en sloegen hun klauwen tegen de tralies als hij in hun buurt kwam.        
        Alsof ze wisten wat hij van plan was.
        Hij knarsetandde en probeerde de gedachte aan hun lawaai uit zijn hoofd te bannen. Hij vergewiste zich ervan dat de straat verlaten was en schopte de deur kapot, waarbij de glasscherven in alle richtingen door de winkel en buiten op het besneeuwde voetpad vlogen. Joachim maakte de deur open en sloop binnen. Het kattengejank werd alsmaar luider. Ze lieten zich tegen hun kooien aan vallen in een poging om tot bij hem te komen. Ze sisten. Grauwden. Gromden. Sprongen. Beten. Klauwden.
        “Hou op! Koppen toe!” riep hij. “Hou allemaal jullie bek!”
        Hij schopte tegen een kooi die omviel en weghobbelde. De kat kwam weer recht en spuwde naar hem.
        Joachim rende naar achter in de winkel waar een kleine kooi stond waarin zes kleine witte muizen als dolgedraaid rondjes liepen. Hun rode oogjes gloeiden in de schemer van de winkel. Hij graaide de kooi mee en zonder zich te storen aan het helse leven in de winkel, holde hij naar de uitgang. Hun valse klaagzangen achtervolgden hem tot hij weer in zijn gebouw kwam.
        Zwaar hijgend barricadeerde hij zichzelf in zijn appartement en stommelde met de kooi de trap af naar zijn atelier. De muizen piepten angstig, alsof ze de kat al geroken hadden. Joachim opende de deur op een kier, net genoeg om binnen te kunnen gluren. De kat was wakker, ze zat bovenop het canvas naar hem te staren. Terwijl Joachim zich een weg baande door het atelier volgden de kattenogen de kleinste beweging met een boosaardige belangstelling, alert door het gepiep van de muizen in de kooi.
        Joachim schoof de houten tafel naar de verste hoek van de studio en zette de kooi zo ver mogelijk tegen de muur neer, zodat de kat niet anders kon dan haar rug naar hem toe te draaien om bij de muizen te komen. Hij griste zijn hakmes uit de gang en hurkte aan de andere kant van het vertrek op de grond, zijn armen om zijn magere knieën gevouwen. Hij maakte zich zo klein mogelijk om geen bedreiging voor de kat te vormen. Hij wou haar de indruk geven dat ze veilig en wel van het canvas kon komen en naar de muizenkooi kon lopen.        
        Hij wachtte. De greep van het hakmes begon glibberig te worden door het zweet in zijn handen. Het was doodstil in de kamer, op het bange gepiep en het geschuifel van een paar dozijn nerveuze pootjes over de metalen bodem van de kooi na. De kat geraakte steeds meer gebiologeerd door de val, haar kop bewoog over en weer om de kooi goed te kunnen bestuderen. De tong maakte een trage wellustige cirkel langs de lippen.
        De kat sprong op de vloer. Joachim hield de adem in. Met zachte soepele passen naderde de kat de hoek van de kamer. Ze hield halt bij de tafel en keek Joachim onderzoekend aan. Die staarde gespeeld ongeïnteresseerd naar zijn benen en deed of hij het dier niet opmerkte. Maar intussen klemden zijn vingers zich hardnekkig rond de rubberen steel van het hakmes.
        Met een ongeëvenaarde souplesse sprong de kat op de tafel. De muizen werden gek van angst. Joachim kwam behoedzaam overeind met het mes klaar om toe te slaan. De kat keurde hem verder geen blik waardig, gefocust als ze was op de kooi. Ze liet zich laag over het tafelblad zakken en spande elk spiertje van haar lichaam. Een poot werd vooruit gezet, dan nog een. De ogen volgden elke beweging van de zes kleine witte schichten.
        Joachim bracht behoedzaam het hakmes omhoog om het naar de kat te gooien. Ze zat slechts een meter of twee van hem vandaan, zich niet bewust van het dreigende gevaar. Joachim spande zich, klaar voor de aanval die het monster in twee zou splijten. Hij wist dat dit gemakkelijk zou zijn. Hij kon het warme bloed bijna ruiken en zag het al van de tafel druipen. Net als verf.
        Net toen hij wilde toeslaan verplaatste hij zijn gewicht op een losse plank en het gekraak van het hout verried hem. De bijl kliefde door de lucht, maar de kat kon ontkomen. Het hakmes trilde na in het tafelblad, zó dicht bij de plaats waar de kat had gezeten, dat een pluk haar bleef vaststeken.
        Joachim vloekte. Hij wrikte het mes los en draaide zich woedend om. De kat stond nu wijdbeens op de houten stoel waar Joachim meestal zat om zijn werk te overzien. Joachim wierp zich in de richting van de stoel, het hakmes wild zwaaiend, maar opnieuw was de kat hem te snel af. Ze landde soepel op de vloer op het moment dat het hakmes de stoel raakte en de rugleuning in spaanders hakte. Houtsplinters vlogen als stof om Joachim’s oren.
        “Ik vermoord je!” gilde hij gefrustreerd. “Waar zit je?”
        Hij zag de kat ineenkrimpen bovenop een boekenkast tegen de overliggende muur. Haar poten trilden en de pels glom als ijzervijlsel op een magneet. Goed zo, het beest had eindelijk de schrik te pakken! Prima! Het was een hoge boekenkast, maar Joachim liep er op af en zette zich af op de vloer, zwaaiend met het hakmes. Hij landde hard met zijn lichaam tegen de kast en de ingebonden boeken kletterden naar beneden en vlogen overal in het rond. De kast tuimelde om en de kat maakte een sprong in het ijle om weg te komen. Joachim deinsde achteruit, halfverdoofd, zich krommend onder het gebeuk van de schappen tegen zijn rug.
        Waar was de kat?
        Joachim stond temidden van een hoop boeken en liet zijn ogen speurend van links naar rechts gaan. Geen kat te zien. Ze was als een geest in rook opgegaan. Joachim was even van zijn stuk gebracht, maar hoorde dan een geluid boven zijn hoofd en hij keek omhoog.
        Joachim lachte.
        De kat hing hulpeloos aan een lus in de elektrische bedrading tegen het plafond. De poten waren rond de draad gekromd, klauwend in de lucht.                
        “Nu heb ik je” gniffelde Joachim.
        Hij richtte zorgvuldig en als een volleerde messenwerper uit een circus gooide hij de bijl naar de kat. Het blad blikkerde en bereikte zijn doel met bewonderenswaardige nauwkeurigheid, maar op het allerlaatste moment liet de kat los en kwam met gespreide poten op de vloer terecht, geluidloos alsof ze een valscherm aan had. De bijl suisde voorbij de plaats waar de kat had gehangen en zette zich vast in de muur buiten het bereik van Joachim.                  
        “Vervloekte rotkat!”
        Joachim had nu geen mes meer, maar dat kon hem niet schelen. Hij zou het monster eigenhandig wurgen, al werd zijn huid aan reepjes gescheurd.
        “Waar denk je te kunnen schuilen, jij kleine ellendeling?” snauwde Joachim.
        Hij klapwiekte met zijn uitgestoken handen en gespreide vingers. De kat zat in het nauw en drukte haar lichaam tegen de muur. Het speeksel droop van haar bek toen ze siste.
        “Er gaat hier maar één van ons levend buiten,” sprak Joachim tot de kat.
        Hij maakte een sprong om de kloof tussen hem en het dier te overbruggen en klapte zijn armen dicht in de hoop het tegen zijn romp te kunnen vastklemmen, maar hij hield alleen een bos haren vast terwijl de kat tussen zijn benen wegglipte. Door de kracht van zijn sprong werd Joachim tegen de muur aangegooid en hij stootte zijn hoofd hard. Hij brulde van de pijn en viel op zijn gezicht en onmiddellijk voelde hij de kat op zijn rug landen en haar klauwen in zijn huid slaan.
        “Eraf!” gilde Joachim. “Stop!”
        Hij bonkte met zijn hoofd en handen tegen de muur in een poging de kat af te werpen, maar die had zich in volle furie in hem vastgehaakt. Bloedsporen liepen door elkaar op zijn hemd. Hij kromp ineen toen de scherpe uiteinden van alle vier de poten zich steeds weer in zijn huid haakten en toen hij eindelijk kans zag zich om te gooien, sprong de kat van hem weg voor hij haar kon klem zetten met zijn lichaam.
        Joachim lag in de hoek van de studio, hijgend, de ogen gesloten, zijn bebloede lichaam schroeiend van de pijn. Toen hij eindelijk zijn hoofd oprichtte, zag hij twee dingen.
        Het zouden de laatste twee zaken zijn die hij zag.
        De kat stond als vanouds zegevierend op zijn schilderij, hem negerend terwijl ze zich zat te poetsen.
        En het hakmes dat tegen de zoldering had vastgezeten, kwam los en viel naar beneden, het blad feilloos gericht op zijn schedel, die netjes werd open gekliefd als een harige kokosnoot en het mes passage verleende doorheen de zachte inhoud.

 

 *

  

        Inspecteur Otto Bauer keek vragend naar de hulpverleners die de vrouw op het bed probeerden bij te brengen. “Hoe zit het?” vroeg hij “Komt het wel goed met haar?”
        De arts die de leiding had keek niet op van zijn werk toen hij antwoordde. “De verwondingen zijn behoorlijk diep, ze heeft nogal wat bloed verloren en ze heeft uitdrogingsverschijnselen, maar ze haalt het wel.”
        Bauer haalde opgelucht adem. “Wat een geluk voor haar. Die geschifte pervert liet het afgelopen jaar overal in het park lijken achter. Acht gefolterde vrouwen, beschilderd met hun eigen bloed en dan onthoofd. Godsamme!”
        Hij liet de medici verder doen met hun werk en wendde zich tot zijn eigen medewerkers, die het appartement aan een nauwkeurig onderzoek onderwierpen. Joachim Mauss lag in de andere hoek van de kamer op de grond, het gezicht omhoog gericht, de dode ogen in opperste verbazing open gesperd. Hij was klein van gestalte en zag eruit alsof men de lucht uit hem had laten lopen. Het bloed leek wel een meer te vormen onder zijn hoofd.
        “Wat is hier in godsnaam gebeurd?” Bauer stelde de vraag aan een jonge assistent die lijkbleek zag.
        “De buren hebben gebeld omdat ze een dier hoorden janken in de flat,” antwoordde die. “Ik kwam dus naar hier en vond deze hele toestand. Ik dacht dat ik erin bleef. Joachim die op de grond lag dood te bloeden en het meisje op het bed met al die snijwonden.”
        “Wat maak je eigenlijk op uit die dierensporen en de kooi met muizen?” vroeg Bauer, terwijl hij met zijn blik de talloze bloederige pootafdrukken volgde tot bij het naakte meisjeslichaam.
        “Er zat een kat opgesloten.”
        “Een kat?” vroeg Bauer.
        “Ja, ze ontsnapte toen ik de deur opendeed.”
        “Van wie was die kat?”
        “Weet ik veel. Joachim had een hartgrondige hekel aan dieren. En met name vooral aan katten.”
        “Dus je kende die gek?” stelde Bauer vast.
        De agent knikte bevestigend. “Wie niet? Hij leefde hier al zijn hele leven. Eerst samen met zijn moeder, tot die een paar jaar geleden opeens verdween. We hebben nooit een spoor van haar kunnen vinden. We hebben ons zelfs even afgevraagd of hij haar van kant gemaakt had. Ik bedoel, ze had hem al zijn hele leven de duvel aangedaan. Maar we hebben nooit een bewijs kunnen vinden.”
        Bauer krabde in zijn baard en bestudeerde de ravage in de studio. “Wat ik verdomme niet begrijp is hoe Mauss aan zijn einde gekomen is. Die meid lag vastgebonden op het bed, en aan de andere kant van de kamer ligt hij met een gekliefde schedel. Hoe kan dat nou?”
        “Misschien nam de kat hem te grazen,” grinnikte de agent. Bauer lachte. “Ja, dat zal wel. Het mormel kwam er achter dat hij een seriemoordenaar is en maakte hem koud. Goed gevonden!”
        “Tja, het was in elk geval de kat die hier zat te gillen en op die manier het leven van het meisje redde, dus dat kreeg ze toch voor mekaar,” riposteerde de agent.
        Bauer schudde zijn hoofd. Hij kon zijn ogen maar niet afwenden van de pootafdrukken die de hele studio rood kleurden met Mauss’ bloed. Hij stelde zich voor hoe de kat rusteloos tussen de twee lichamen heen en weer liep.
        “Misschien deed die kat gewoon wat katten altijd doen,” opperde de agent.
        “O ja? En wat mag dat dan wel zijn?”
        “Een Mauss vangen, wat anders?”

 


Wil je reageren op dit verhaal?

Dat kan op het forum van Ezzulia, waar een apart topic is aangemaakt voor discussies over de boeken van Brian Freeman en waar je ook je reactie kwijt kan over dit korte verhaal.

 

Kijk hiervoor op ons forum.

 

 

Terug naar boven