Felix Thijssen
De nieuwe beeldenstorm
Toen A.F.Th. van der Heijden klaar was met weer zo’n brok literatuur van duizend pagina’s, zei hij in een interview: ‘Weet je wat, hierna ga ik een thrillerachtig boek schrijven. Dat wordt dus met recht een literaire thriller, ware het niet dat dat woord tegenwoordig op al die pulpboekjes staat. Dat is een van de agressies van onze tijd, het woord ‘literair’ wordt geënterd.’
Het is vervelend, maar de man heeft gelijk.
Het is bovendien onze eigen schuld,
niet alleen van onze uitgevers, maar ook van ons, schrijvers, misschien omdat we
van die rare egootjes hebben, of minderwaardigheidcomplexen. Geen hónd komt op
het zonderlinge idee om een boek van bijvoorbeeld Gerard van het Reve of
Hugo Claus op te vrolijken met de term ‘Literaire Roman’, of het werk van
William Shakespeare met ‘Psychologisch Theater’. Ik zoek mij wild, maar
in mijn boekenkast staan die etiketten nergens op wat we maar even de witte
literatuur noemen. De Scharlaken Stad heet gewoon De Scharlaken Stad, en
op een voorblad staat het bescheiden woord “roman”. Dus wat bezielt ons,
eigenlijk?
‘Ciao bella!’ riepen de mannen in koor. Ook de andere meisjes lachten en wuifden
als gekken. ‘Arriverderci Roma!’ Vrolijk zingend begaf het groepje zich door de
schoongewassen stegen naar de stadsbus, die hen naar de bus naar huis moest
brengen, die buiten de stadsring geparkeerd stond.
Zijn gedachten dwaalden af. Hij rekte
zich uit en werd zich weer bewust van zijn omgeving. Hij hoorde het toilet op de
gang doorspoelen. Hé, er was nóg iemand wakker! Een verkeerd gevallen hapje?
Als dit een geschikt
moment lijkt om dit infantiele gestuntel dicht te doen, valt het oog op de
cover, en tja, wat staat daar: Een Literaire Misdaadroman, tevens genomineerd
voor de Gouden Strop.
Het verstand staat hier stil. Het
mijne althans.
Ze vroeg zich af of hij misschien nooit wel eens niet ooit eerder in deze stad kon zijn geweest. Of misschien nooit eerder wel eens ooit niet, of eerder ooit wel eens nooit niet; al slaat u mij dood. Maar ook hier staat: een literaire thriller.
Het
lastige van ouder worden is dat je over irritante kleinigheden begint te
struikelen. Het ontzettend leuke meisje, de vreselijk mooie muziek, dat soort
dingen. Hoe bedoel je,
ontzettend?
Ontzettend was de bom op Hiroshima, men deinst in ontzetting achteruit. Het is
door hardnekkig misbruik besmet geraakt met een totaal oneigenlijke
nevenbetekenis van ‘in hoge mate’: we hebben
ontzettend
veel
plezier. Ik weet dat het superlatief een teken des tijds is, maar het gestapel
van mega en giga bovenop het afdoende
erg
en veel,
lijkt mij vooral een verdrietig gebrek aan vertrouwen in onze eigen taal. Het is
net zo’n bewijs van zwakte als het uitroepteken in een boek, literaire thriller
of niet. Maar helaas: als genoeg mensen er mee doorgaan kan Van Dale er niet
meer omheen, zodat ons hele land nu ook officieel vreselijk gezellig is
geworden, en verschrikkelijk leuk, en ontzéttend knus.
Zo bedachten onze uitgevers in hun wanhoop om de troep kwijt te raken, de onzinnige nieuwigheid om, absoluut lukraak, dat wil dus zeggen op zowel mooie als op onleesbare boeken, het etiket Literaire of Psychologische Thriller te plakken.
Iemand neemt een film voor me op, van Veronica of een andere commercieel. Achter de film zit een stuk van een praatprogramma. Het gaat over seks, de eerste keer, zoiets. Na een kwartier ontdek je, dat niemand ook maar één zinnig woord zegt, en dat ook niet meer zal doen. Alle aanwezigen, inclusief de gastvrouw, spreken het armoedigste en lelijkste Nederlands dat er bestaat; die term zal wel niet meer mogen, maar vroeger heette dat achterbuurttaal. Ik denk: dit is de openbare televisie, deze leeghoofdige nonpraat kan niet echt zijn. Dit is een persiflage. Maar nee. Dit is een normale wekelijkse talkshow. In de Tv-reclames praten ze nu ook zo. Altaaid vaif looike aanbiedinge bai de boutschappen. Wie elders woont en twee keer per jaar naar Nederland komt ziet dat schoksgewijs toenemen. Ouw kaik! Ik ga dout! Dat is ‘Peking Expres’, een achttienjarige giecheltut met het brein van een kapsalon voert ons door vijfduizend jaar oude culturen.
Taal moet misschien leven en evolueren, maar soms word ik zwetend wakker en denk dan: lieve Belgen! Jullie zijn de enigen die het Nederlands nog behoorlijk spreken en koesteren, de laatsten die het hebben geleerd en nog leren, zoals het hoort, bij de nonnen op school. Mijn hart staat stil van verrukking, als ik de, in alle opzichten prachtige Vlaamse minister van Verkeer op de tv hoor uitleggen dat zij het Wegenvignet moet invoeren teneinde het faillissement van België te voorkomen, en dat wij, Nederlanders, daar niet teveel over moeten zeuren. De zaak is, geloof ik, weer van de baan, evenals de regering en wellicht geheel België, maar hoe graag zouden wij, op deze sirenenzang in de mooiste aller talen, onze spreekwoordelijke zuinigheid opzij hebben gezet en zonder verder gezeur onze buidels hebben getrokken.
Daarom denk ik soms, lieve Belgen, neem onze taal, stop hem in een stevige kluis, bescherm en bewaar hem, want de dag komt waarop we hem terug willen en terug komen halen, desnoods per tiendaagse veldtocht. Ik mag dan dood zijn, maar dat wordt de wonderschone dag van de nieuwe beeldenstorm, de dag waarop heel Nederland pijn aan zijn oren krijgt van deze armoe-taal, en genoeg heeft van de hersenloze vulgariteit van de Jensens, de Gouden Kooien en de Temptatie-eilanden.
Deze dingen hebben met
elkaar te maken; het is de verwording die van alle kanten aansluipt. Zo
bedachten onze uitgevers, die zich voorheen beperkten tot nuttige rubricering
van misdaadgenres en doktersromans etcetera, in hun wanhoop om de troep kwijt te
raken, de onzinnige nieuwigheid om, absoluut lukraak, dat wil dus zeggen op
zowel mooie als op onleesbare boeken, het etiket Literaire of Psychologische
Thriller te plakken. Elke krakkemikkig schrijvende Appel-epigoon, die zijn
karakters opzadelt met kleine existentiële tuttigheden en vage lustgevoelens
voor de buurvrouw in de aangrenzende doorzonwoning, in plaats van zich efficiënt
en met een beetje témpo bezig te houden met de vermoorde bankier, heeft nu
onverhoeds een psychologische thriller gebaard. Het etiket literair
wordt, zoals we hiervoor zagen, nog willekeuriger rondgedeeld.
Natuurlijk zijn wij net zo verzot op
het verkopen van boeken als onze uitgevers, maar ik ben bang dat we ons eigen
graf graven als we de klant eerst wijsmaken dat literatuur iets heel aparts en
verhevens is, en ontzettend bijzonder, en hem vervolgens het bos insturen
door allerlei onleesbare flauwekul te voorzien van het etiket literair. De klant
kleunt dus mis, en als dat nog een paar keer gebeurt denkt hij: weet je wat, ik
koop een vertaalde buitenlander, of desnoods A.F.Th van der Heijden, want
saaier dan deze volstrekte kat in de zak kan dat moeilijk zijn.
Vroeger was niet alles beter, maar ik herinner me nog dat uitgevers als eerste eis stelden dat een manuscript goed geschreven was, voordat ze zelfs maar begonnen te dénken over het uitgeven ervan.
Aldus degradeert het begrip literair, samen met ons mega-mooie Nederlands en al die andere dingen. We krijgen dat nooit meer goed, tenzij we die beeldenstorm doen of ons laten inlijven door Vlaanderen, ofschoon ik wel vermoed dat daar ook rommel wordt geschreven en helaas uitgegeven. Daarom roespeteert A.F.Th van der Heijden. Hij zou, tenzij niet goed bij zijn hoofd, geen probleem hebben met het woord ‘literair’ op een goed geschreven thriller, ook al zou de zin ervan hem volstrekt ontgaan. En waarom doen ze dat alleen in het Nederlandse taalgebied? Dat lijkt, op zijn minst, verdacht, iets voor de automarkt, waar ze vroeger paardenmest in de radiator stopten, zodat die pas weer begon te lekken als de nieuwe eigenaar er ‘s avonds nietsvermoedend mee thuiskwam.
Vroeger was niet alles
beter, maar ik herinner me nog dat uitgevers als eerste eis stelden dat een
manuscript goed geschreven was, voordat ze zelfs maar begonnen te dénken over
het uitgeven ervan. We kijken graag neer op het vederlichte genre van de
kasteelromans, maar dames als Barbara Cartland waren van z’n leven niet
door die selectie gekomen als ze niet konden schrijven. Het zal Jos
van Cann bij zijn bestudering van de vooroorlogse misdaadliteratuur niet
ontgaan, dat onze voorgangers misschien een trager en minder opwindend verhaal
schreven, maar wel tijd en energie besteedden aan deugdelijk Nederlands.
Nu wordt pakweg de helft van de
Nederlandstalige misdaadboeken in elkaar geflanst in alarmerend gebrekkige en
fantasieloze clichétaal. Taalvaardigheid lijkt, zoals Peter de Zwaan in
een interview opmerkte, bij misdaadromans nauwelijks meer te tellen. Peter
leest, net als ik, liever een prachtig geschreven boek zónder denderend plot,
dan zo’n roman die met hijg- en hortzinnen en humorloze houtje-touwtje-taal naar
het laatste hoofdstuk rammelt, waarin de schrijver nog even laat zien hoe slim
hij is.
Literair is geen kwalificatie. We kunnen het woord literatuur terugdegraderen naar de klassieke betekenis zoals die nog in de Van Dale staat: ‘Literatuur is het geheel van de schriftelijke overlevering van een volk of een tijd.’ Das Kapital, De Avonden, Humo, Wenken voor het Overleven onder Eskimo’s, en de soms adembenemend humoristische vertalingen van brandweervoorschriften op de deur van uw Franse hotelkamer. Allemaal literatuur.
Ons boek heet dan, zoals aan de overkant, gewoon: A Novel. A Novel is goed, of niet goed, het eenvoudigste criterium, afhankelijk van verhaal, taal, begrip van karakters, een minimum aan intelligentie en fantasie, gevoel voor humor en drama, plot, structuur, enfin, dat hoef ik hopelijk niet uit te leggen.
De lezer kan de rest wel zelf. Hij koopt op een recensie, of hij kent de auteur, maar hij blijft gelukkig ook nieuwsgierig, hij waagt een gok met nieuw of onbekend. Hij ontwikkelt zijn eigen waarderingschaal, van nul tot tien. Hij geeft Fury van G.M. Ford een 9, en Red Tide van toch precies dezelfde G.M. Ford een 5. Hij is verrukt van Kafka on the Shore van Haruki Murakami en plakt daar een 9 op, maar dat krijgt The Big Picture van Douglas Kennedy ook, en dat is een thriller. Misschien is voor hem Baantjer de top, en dan vindt hij Colin Harrison te moeilijk, maar deze lezer is nooit kwaad om een miskoop die hij zélf kiest. Hij wordt alleen niet graag om de tuin geleid met een bombastetiket van literaire thriller, waardoor hij twintig euro verkwist aan een boek dat wat hem betreft nog geen víjf verdient.
Voor deze ideale lezer is het verschil tussen witte en zwarte literatuur allang vervaagd en opgelost. Wat hem betreft is Kafka on the Shore dezelfde 9 waard als de prachtige misdaadromans Gorki Park en Rose van Martin Cruz Smith, of Echo Burning van Lee Child. Hij denkt niet aan literatuur, hij ziet alleen goede en slechte boeken. Hij vindt het niks of, als het goed is, ongelooflijk spannend, dramatisch, hij is tot tranen geroerd, hij kan het niet wegleggen, hij zou willen dat het nog honderd pagina’s vérder ging, hij voelt zich, als hij het uit heeft, alsof hij een goede vriend begraaft.
Dat zou mooi zijn.
Hij ontdekt dat er misdaadschrijvers
zijn die het nooit zullen leren, en die dan ook meestal na een of twee
misbaksels uit het beeld verdwijnen. Hij komt die onleesbare boeken ook tegen in
de witte sector; het is een open deur, maar daarin heeft Fred Vargas
beslist gelijk. Hij ziet dat dezelfde schrijver de ene keer een goed, en de
andere keer een erg matig boek aflevert. Hij verveelt zich dood bij De Langzame
Man van Coetzee, dat absoluut nergens over gaat, en hij zou de hele
Coetzee afschrijven als hij niet toevallig ook In Ongenade had gelezen, dat
een 9 krijgt. De vader van onze goede lezer vond destijds De Avonden ook niet om
door te komen, en was blij dat er andere dingen waren, John Irving,
Françoise Sagan, Kerouac, de Rosse Bietser, de Metsiers en Op
weg naar het Einde, en die prachtige Hugo Claus-vertaling van
Onder het Melkwoud, die mooier was dan het origineel.
An Absence of Light, van David
Lindsay, wie kan mij vertellen wat dat is, witte literatuur of zwarte
literatuur? Maar het is gewoon een misdaadboek, en krijgt dezelfde Negen als The
Fall of Light van Niall Williams, en All the Pretty Horses van Cormac
McCarthy, van mijn part Voor wie de Klok Luidt van Hemingway, of
Vierentwintig Uur van Greg Iles.
Als eenvoudige misdaadschrijvers lang genoeg dood zijn kunnen ze gepromoveerd worden tot de literatuur, Simenon, Havank, Joop van den Broek, enfin. Vinden ze het eigenlijk wel leuk, om bij Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden in de klas te moeten zitten?
We hebben het hier, waarschijnlijk, over het paradijs op aarde, maar deze autonome en volwaardige lezer zou een natuurlijk gevolg zijn van kieskeurige uitgevers en objectieve voorlichting, goede jury’s en welbeslagen critici, die geen etiketten nodig hebben en hun oordeel niet laten beïnvloeden door de luim van de dag, pijn in het hoofd of ruzie met de vrouw. In dit paradijs zou Fréderique Vargas niet langer op enigszins vergoelijkende toon over ‘dit soort romans’ hoeven praten, en het verschil tussen ‘wit en zwart’ ten nadele van nota bene haar eigen genre laten uitvallen. En wat ze vooral niet zou hoeven doen is ons, misdaadschrijvers, verdedigen door ons te vergelijken met Balzac en Zola, die geen mens meer leest, tenzij noodgedwongen voor de Franse lijst, maar dit terzijde.
Misdaadschrijvers maken het zichzelf al moeilijk genoeg, want voor een beetje
misdaad is dat ingewikkelde schaakspel van zijlijnen en dwaalsporen en
onwrikbare logica nodig dat plot heet, en dat méer hersenwerk vergt dan het
staren naar de eigen navel. Dat begreep zelfs Gerard Reve, –van hem een
schat van een citaat in Vrij Nederland’s Detective en Thrillergids: ‘Het
schrijven van een goede detective is heel wat moeilijker, dan het nederpennen
van romantisch decadente tobberijen met letterkundige aspiraties.’
Bernard Henri Lévi, die leuke
Franse filosoof, leest vrijwel uitsluitend misdaadromans, goede en minder goede,
omdat die hem fascineren en zijn gevoel voor de kleinste variaties in intrige
verscherpen. Volgens Lévi vertegenwoordigt het misdaadgenre een eigen
hogeschool van vertelkunst, het abc van efficiënte dialoog, waar elk woord telt.
De schrijver kan zich niet de geringste vergissing veroorloven: éen seconde van
verslapte aandacht, éen nietszeggend weerwoord, éen enkele slepende scene, éen
jota onwaarschijnlijkheid, en het hele boek is geruïneerd.
Het is lastig praten over hoge en lage cultuur, het zijn abstracte categorieën, of dubieuze afspraken. Hoge cultuur is de Matthäus Passion, de lage Pink Floyd? Wat is goede smaak? Ik ken mensen die Bach gezeur voor in de kerk vinden. Ze houden van Mozart, terwijl ik steeds meer de zenuwen krijg van Mozart, wonderkind of niet. Als eenvoudige misdaadschrijvers lang genoeg dood zijn kunnen ze gepromoveerd worden tot de literatuur, Simenon, Havank, Joop van den Broek, enfin. Vinden ze het eigenlijk wel leuk, om bij Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden in de klas te moeten zitten? Ze hadden meer lol met hun vriendjes Raymond Chandler, en Agatha Christie, en Michael Connelly in hun oude klas, die ze zelf hadden gekozen, omdat ze dat genre boeken wilden schrijven, en minder last hadden van het idee van hogere of lagere cultuur. Jan de Hartog is nu ook witte literatuur, al schreef hij dezelfde avonturenboeken als Hammond Innes, die ik eigenlijk beter vond.
Het is een wereld van schaduwen, en wat toch ook opkomt, is de gedachte dat wij, de jongens en de meisjes van de misdaadliteratuur, misschien de enigen zijn die over dat verschil praten en tobben, omdat we ons aangevallen voelen en denken te moeten verdedigen? Dat wordt lastig, tenzij we onze kop in het zand steken voor het feit, dat het percentage onleesbare boeken aan onze kant dramatisch veel hoger is dan in de witte sector, en dat ónze onzin bovendien ook nog gênant slecht geschreven wordt.
Dat is gewoon zo. We zitten met een stortvloed van houtje-touwtje boeken, zoals De Zwaan ze noemde. Kwalificaties in de VN-gids van elk jaar nieuwe tientallen, al dan niet met het etiket literair versierde Nederlandstalige misdaadromans, liegen er niet om: ‘Hier is niets literairs aan te ontdekken en ook niets spannends. Een aan de imbeciliteit grenzende hoofdpersoon. Belachelijk slecht proza. Tenenkrommende, ellenlange beschrijvingen. We sjokken van cliché naar cliché. Het beroerdste Nederlands. Slaapverwekkende stompzinnigheid.’
We mogen geen klaagmuur bouwen. Ik stop er hoogstens een paar briefjes met vragen in: wat is hier gebeurd, waar komt het vandaan, en waarom? Vroeger was een dagboek privé en geheim, voorwaar een zegen, maar in de blog-cultuur van nu zet iedereen zijn dagelijkse geneuzel in MySpace, in de overtuiging dat wat echt gebeurd is vanzelf ook roerend proza oplevert. Tien reacties van andere minkukels bevestigen dat misverstand en hup, naar de uitgever. Elke schrijver is wel aangeklampt door hotelportiers, taxichauffeurs en politieagenten met: ‘nou, wat ik hier binnen zie komen, of wat ík meemaak, daar zou ik een bóek over kunnen schrijven.’ Het probleem is dat ze het tegenwoordig ook doen.
Er is natuurlijk méer. Beroerd onderwijs? Junkfood? Teveel vrije tijd? Maakt die sms-cultuur dat het de lezers niet meer kan schelen hoe hun taal geschreven wordt? Of dat een karakter eruitziet als een harlekijn van inconsistenties? Minder kieskeurige uitgevers? Komt de prullaria overwegend van kleine, onbekende uitgevers, die opgeslokt worden, of anderszins tenonder gaan, als ze niet gauw per ongeluk over de nieuwe Kluun of Da Vinci struikelen?
Goeie editors zou helpen. Wie raakt niet in de clinch? Hij rook naar haring en kleine gedachten. Er komt geheid zo’n potloodje: gedachten kun je niet ruiken. Het woord godzalme kan niet, want staat niet in de Van Dale. Ik heb medelijden met de persklaarmakers, want ik denk dat ze na tien houtje-touwtje manuscripten zó afgestompt raken door het gepriegel in de spelling en de beroerde grammatica, en de clichés, en die krommetenentaal, dat ze de muziek niet meer horen.
Onze hemel is de verrukking van de goede inval, de mooie metafoor, de plot waarin geleidelijk alles klopt, de gewiekste dialoog. Het is de plek waar onze taal muziek wordt, ons verhaal een symfonie.
En het gáat om die muziek. Je zwoegt een dag op éen enkele zin, hij was lang, hij was anders, hij wordt korter, en nog korter. Er blijven vijf woorden over. Of hij wordt lang. Een afgetrapte straat, een oude man poetst zijn auto, drie getatoeëerde tieners in vuile T-shirts zitten schrijlings op hun brommer frites te eten zonder erbij te converseren, zonnebrillen, een vrouw stapt van haar fiets, volle tassen aan het stuur, een jongetje holt, touwklos in de hand, rukkend aan een zelfgemaakte vlieger, er is geen wind, en als Max uit de auto stapt grauwt een geelwitte hond naar zijn broek en keft achter hem aan over het trottoir. Die zin wordt langer, omdat er een ritme komt dat je niet kunt afbreken. En vooral omdat er, al doende, in die straat iets ontstaat, een dode mus, de glinstering van een gebroken dakraam, een extra dimensie van zwart licht en onwereldse akoestiek. Dan is het gelukt, het is muziek geworden.
Elke schrijver kent die momenten. Vaak of minder vaak, misschien nooit en in dat
geval kan hij beter iets anders gaan doen. Het is natuurlijk inspiratie, maar
het is vooral het vak, de letterkunde. Witte of zwarte literatuur, het is
hetzelfde vak, hetzelfde gevecht, het lukt niet altijd, of pas na veel
gezwoeg, en dan valt elke komma op zijn plaats, is er geen woord teveel, elke
valse noot eruit en alle onzin geschrapt.
Dat is het paradijs dat de schrijver
maakt en dat de lezer herkent. De goede lezers bestaan en de goede schrijvers
ook. Ik heb geen oplossing. De inferieure troep in de papiermolen. Een hart
onder de riem. De Thrillergids ziet elk jaar ook verrassingen opdoemen. En het
is altijd, ook daar, maar éen man, of éen vrouw, die Loser's Town, van Daniel
Depp, volledig de grond in boorde, geen enkele ster gaf en een mislukte
poging van de auteur noemde om mee te liften op het succes van zijn beroemde
broer Johnny. Voor mij was het een van de leukste boeken die ik in jaren las,
maar wie ben ik?
Bovendien is het ons probléem helemaal niet. Schrijvers horen aan hun bureau te zitten en te schrijven, in plaats van moeilijk te doen over hun plaats in de wereld en de theorie der dingen. Onze hemel is de verrukking van de goede inval, de mooie metafoor, de plot waarin geleidelijk alles klopt, de gewiekste dialoog. Het is de plek waar onze taal muziek wordt, ons verhaal een symfonie. We zijn niet meer alleen, we staan middenin ons eigen orkest, we zijn in het paradijs.
Felix Thijssen
(Geplaatst met zijn toestemming)
Volg de discussie:
Op het forum van Ezzulia is een zeer boeiende discussie aan de gang over de Nederlandstalige thriller, de Gouden Strop, de Maand van het Spannende Boek en de Literaire Thriller. Dit artikel van Felix Thijssen sluit daar keurig bij aan. Volg de discussie en lees de reacties van onder andere Tomas Ross, Charles den Tex, Simone van der Vlugt, Simon de Waal, Daniëlle Hermans, Alex van Galen, Nicolet Steemers, Marelle Boersma, Loes den Hollander e.v.a.
In dit topic kunnen ook
reacties geplaatst worden op het bovenstaande artikel van Felix Thijssen. |
kijk hier
Kijk ook naar:
12-06-2009:
Een artikel van Tomas Ross over
de Gouden Strop, de Maand van het Spannende Boek, de Schaduwprijs, het
Genootschap Nederlandse Misdaadauteurs en de literaire thrillers |
kijk hier
14-06-2009:
Een reactie van Willem Asman, voorzitter van het Genootschap Nederlandse
Misdaadauteurs op het artikel van Tomas Ross | kijk hier
18-06-2009:
Een column van Tomas Ross waarin hij onder andere een reactie geeft op de
eerdere column van Willem Asman | kijk hier
24-06-2009:
Een column van Jos van Cann en Henri-Floris Jespers, samenstellers
van het boek Thriller vs. Roman, waarin zij een reactie geven op het
artikel van Tomas Ross | kijk hier
25-06-2009:
Een column van Jacob Vis over het artikel van Tomas Ross voor
Ezzulia | kijk hier
28-06-2009:
Een column van Ton Theunis over het artikel van Tomas Ross voor
Ezzulia | kijk hier
Heb jij een mening over de boeken van Felix Thijssen?
Op het forum van Ezzulia is een topic aangemaakt
voor een discussie over de boeken van Felix Thijssen.
Kijk
hiervoor op ons boekenforum.



















