Skip to: site menu | section menu | main content
2 december 2008 | De winnaars van de prijsvraag zijn bekend. Uitgeverij Querido heeft vijf exemplaren klaarliggen van De Godsformule. De gelukkige winnaars zijn:
1. Joke Jol, Den Haag
2. Lenie Korbijn, Hoogvliet
3. Elly de Jong, Aardenburg
4. Carolien Korpel, Tilburg
5. Rick de Haas, Knegsel
Alle winnaars van harte gefeliciteerd. Het nieuwe boek van José Rodrigues dos Santos komt zo spoedig mogelijk naar jullie toe.
19
november 2008 |
Op de trappen van het Museum voor Oudheden in het centrum
van Cairo wordt Tomás Noronha aangesproken door een hem onbekende vrouw uit
Iran, die hem een kopie aanbiedt van een raadselachtig manuscript. Deze
onverwachte ontmoeting markeert het begin van een reeks bloedstollende
gebeurtenissen, waardoor Tomás tegen zijn zin betrokken raakt bij het
Iraanse nucleaire ontwikkelingsprogramma. Bij toeval komt hij een geheime
ontdekking van Albert Einstein op het spoor, een vondst die hem naar het
grootste van alle mysteries voert: het wetenschappelijke bewijs van het
bestaan van God.
De Godsformule van José
Rodrigues dos
Santos is niet alleen een originele
spionagethriller maar ook een fundamentele zoektocht naar de plaats van de
mens in het heelal
Uitgeverij Q heeft vijf exemplaren van De Godsformule klaarliggen voor de bezoekers van Ezzulia.
Wat moet je doen om in aanmerking te komen voor deze spannende en zeer goed ontvangen thriller?
Schrijf vóór woensdag 26 november a.s. een mailtje met het antwoord op de onderstaande vraag, je naam en adres én de naam waaronder je bent ingeschreven op het forum van Ezzulia naar dit emailadres en binnen een paar dagen na de sluitingsdatum van de prijsvraag weet jij of je deze spannende thriller gaat ontvangen.
Voor de vraag: Kijk in het prijsvragentopic op het forum van Ezzulia.
Het antwoord op de vraag.
Je naam en het adres waar wij het boek naartoe moeten sturen.
De naam waaronder je bent ingeschreven op het forum van Ezzulia (zie: www.ezzulia.nl/forum/).
Alleen geregistreerde bezoekers maken kans op een exemplaar van De Godsformule.
Veel succes !
De man met de zonnebril streek de lucifer af en hield het violette
vlammetje aan het uiteinde van zijn sigaret. Hij inhaleerde
krachtig en een grijze wolk kringelde langzaam, spookachtig
langs zijn gezicht omhoog. De man liet zijn blauwe ogen
over de straat gaan en nam de rust van het heerlijke oord in
zich op.
De zon scheen. De struiken kleurden de weelderige tuinen
groen, elegante houten huizen zagen uit op de straat, blaadjes
trilden in de lichte ochtendbries; de lucht was vol geur en melodie,
geparfumeerd door de frisse blauweregen, heen en weer
gewiegd door het onophoudelijke getjirp van de krekels in het
gras en het lieflijke gefluister van een kolibrie. Een uitgelaten
lach voegde zich bij dit natuurconcert; het was een blond kind
dat onder vrolijke kreetjes over het trottoir huppelde met een
kleurige vlieger aan een touwtje.
Lente in Princeton.
Een ver gebrom trok de aandacht van de man met de zonnebril.
Hij richtte zijn hoofd op en hield zijn blik op het einde van
de straat gericht. Aan de rechterkant doemden drie politiemotoren
op, voor een rij auto’s uit die op hoge snelheid kwamen
aanrijden; het gebrom nam toe en veranderde in een oorverdovend
geronk. De man haalde de sigaret uit zijn mond en drukte
hem uit in de asbak op de vensterbank.
‘Daar komen ze,’ zei hij terwijl hij omkeek.
‘Zal ik de opname starten?’ vroeg de ander met zijn vinger op
de knop van een apparaat met een magneetband.
‘Ja, doe maar.’
De rij auto’s kwam luidruchtig tot stilstand voor het huis aan
de overkant van de straat, een kleine witte villa van twee verdiepingen
met aan de voorkant een veranda in neo-Griekse stijl;
politieagenten in uniform en in burger controleerden de omgeving
en een omvangrijke man, kennelijk een bodyguard, opende
het portier van een zwarte Cadillac die voor de ingang van
het huis was geparkeerd. Een man op leeftijd met een kale kruin
en wit haar dat over zijn oren viel kwam uit de Cadillac en trok
zijn donkere pak recht.
‘Ik zie Ben Gurion,’ zei de man met de zonnebril vanuit het
raam van het huis tegenover.
‘En onze vriend? Is die er al?’ vroeg de man met de bandrecorder,
gefrustreerd omdat hij het gebeuren niet door het raam
kon volgen.
De man met de zonnebril liet zijn blik van de Cadillac naar
het huis gaan. In de deuropening verscheen de vertrouwde
gestalte van de oudere, licht gebogen man met zijn witte achterovergekamde
haar en een dikke grijze snor. Glimlachend liep
hij de trap af.
‘Ja, hij is er al.’
Door de luidsprekers van de bandrecorders klonken de stemmen
van de twee mannen die elkaar op het trapje naar de tuin
begroetten.
‘Shalom, premier.’
‘Shalom, professor.’
‘Welkom in mijn nederige stulpje. Het is me een groot genoegen
de beroemde David Ben Gurion te mogen ontvangen.’
De staatsman lachte. ‘U maakt een grapje. Het genoegen is
geheel mijnerzijds, hoor. Je komt niet elke dag op bezoek bij de
grote Albert Einstein, nietwaar?’
De man met de bril keek naar zijn compagnon. ‘Ben je aan het
opnemen?’
De ander controleerde de heen en weer flitsende wijzertjes op
de beeldschermpjes van de apparaten. ‘Ja.Maak je geen zorgen.’
Aan de overkant poseerden Einstein en Ben Gurion voor de
journalisten, die hen in flitslicht lieten baden tegen de achtergrond
van de groen-met-lila blauweregen die langs de veranda
van het huis omhoogklom. Aangezien het een prachtige lentedag
was, gebaarde de wetenschapper dat ze beter buiten konden
gaan zitten, en hij wees in de richting van een paar houten stoelen
in het vochtige gras; daar namen beide heren plaats, terwijl
de fotografen en filmers de scène bleven vastleggen. Na enkele
minuten bracht een bodyguard met gespreide armen de pers op
afstand, zodat de mannen alleen in de zonnige lentetuin achterbleven,
gewikkeld in gesprek.
De bandrecorder in het huis ertegenover ving hun stemmen op
en legde ze vast.
‘Verloopt uw reis naar wens, premier?’
‘Ja, gelukkig heb ik wat steun en veel donaties weten te werven.
Hierna ga ik naar Philadelphia, waar ik meer geld hoop te
ontvangen. Maar genoeg is het nooit, nietwaar? Onze jonge
natie is omringd door vijanden. Ze kan alle hulp gebruiken die
ze kan krijgen.’
‘Israël bestaat pas drie jaar, premier. Het is logisch dat er nog
moeilijkheden zijn.’
‘Maar om die te overwinnen is er geld nodig, professor. Goede
wil alleen is niet voldoende.’
Drie mannen in donker pak vielen via de voordeur het huis aan
de overkant binnen met in beide handen een pistool, dat ze
richtten op de twee verdachten die het gebeuren bespioneerden.
‘Freeze!’ brulden de gewapende mannen. ‘fbi! Niet bewegen!
Handen omhoog en geen plotselinge bewegingen!’
De man met de zonnebril en die bij de bandrecorder hieven
hun armen, maar zonder zichtbare verontrusting. De FBI-agenten
kwamen dichterbij, hun pistolen nog steeds in de aanslag,
dreigend en gespannen.
‘Ga op de grond liggen!’
‘Dat is niet nodig,’ antwoordde de man met de zonnebril
rustig.
‘Ga op de grond liggen, zeg ik,’ schreeuwde de FBI-agent. ‘Ik
zeg het niet nog een keer.’
‘Rustig aan, jongens,’ hield die met de zonnebril vol. ‘Wij zijn
van de CIA.’
De FBI-agent fronste zijn wenkbrauwen. ‘Kunt u dat bewijzen?’
‘Dat kan ik. Als ik mijn identiteitskaart even uit mijn zak mag
halen.’
‘Goed.Maar langzaam aan, geen onverwachte bewegingen.’
De man met de zonnebril bracht langzaam zijn rechterarm
omlaag, stak hem in de zak van zijn jasje en haalde een kaartje
tevoorschijn, dat hij aan de FBI’er liet zien. Het kaartje, met het
ronde embleem van de Central Intelligence Agency, identificeerde
de man met de zonnebril als agent eerste klasse Frank
Bellamy. De FBI-agent gebaarde naar zijn collega’s dat ze hun
wapens moesten laten zakken en keek rond in de kamer. ‘Wat
doet de oss hier?’
‘We zijn geen oss meer, you prick.We zijn nu cia.’
‘Oké.Wat doet de CIA hier dan?’
‘Dat gaat jullie niets aan.’
De fbi’er keek naar de bandrecorders. ‘Het gesprek van ons
kleine genie daar aan het opnemen, hè?’
‘Dat gaat jullie niets aan.’
‘Het is jullie wettelijk verboden om Amerikaanse staatsburgers
te bespioneren. Dat weten jullie toch?’
‘De premier van Israël is geen Amerikaans staatsburger.’
De fbi’er dacht even na. Inderdaad, concludeerde hij, daar
had de agent van de rivaliserende organisatie een goede smoes.
‘Wij proberen onze vriend daar al jaren af te luisteren,’ zei hij,
terwijl hij door het raam naar de gestalte van Einstein keek. ‘We
hebben aanwijzingen dat hij en zijn secretaresse, dat Dukas-wijf,
geheimen doorsluizen naar de sovjets. Maar Hoover geeft ons
geen toestemming om de apparatuur te plaatsen, bang voor wat
er gebeurt als ons genie het ontdekt.’ Hij krabde op zijn hoofd.
‘Zo te zien hebben jullie dat probleem weten te omzeilen.’
Bellamy vertrok zijn dunne lippen tot iets wat op een poging
tot glimlachen leek. ‘Tja, moet je maar niet bij de fbi gaan.’ Hij
knikte even in de richting van de deur. ‘En nu opgedonderd.
Laat de big boys hun werk doen, ja.’
De fbi’er krulde misprijzend zijn ene mondhoek. ‘Nog altijd
dezelfde klootzakken, hè?’ bromde hij alvorens zich om te draaien
naar de deur. ‘Fucking nazis.’ Hij gaf zijn beide collega’s een
teken. ‘Let’s go, guys.’
Zodra de FBI-mannen het huis hadden verlaten, keerde Bellamy
terug naar zijn post vlak voor het raam en keek hoe de twee
Joodse mannen in de tuin van het tegenoverliggende huis zaten
te praten.
‘Ben je nog aan het opnemen, Bob?’
‘Ja,’ zei de ander. ‘Het gesprek bevindt zich nu in een cruciale
fase. Ik zet hem wat harder.’
Bob draaide aan de volumeknop en de twee stemmen vulden
opnieuw de kamer.
‘...verdediging van Israël,’ maakte Ben Gurion zijn zin af.
‘Ik weet niet of ik dat kan,’ antwoordde Einstein.
‘Niet kan of niet wil, professor?’
Er viel een korte stilte.
‘Zoals u weet ben ik pacifist,’ hervatte Einstein. ‘Wat mij betreft
is er al genoeg ellende in de wereld en spelen we met vuur.
Dit is een kracht die we moeten respecteren, en ik weet niet of
we volwassen genoeg zijn om daarmee om te gaan.’
‘En toch bent u degene die Roosevelt heeft overgehaald om de
bom te ontwikkelen.’
‘Dat was iets anders.’
‘Hoezo?’
‘De bom was bedoeld om Hitler te bestrijden. Maar weet u, ik
heb er spijt van dat ik de president heb overgehaald hem te produceren.’
‘O ja? En als de nazi’s hem als eersten hadden ontwikkeld?
Wat was er dan gebeurd?’
‘Inderdaad,’ stemde Einstein aarzelend in, ‘dat zou een ramp
zijn geweest, nietwaar? Misschien, hoe zwaar het me ook valt
dit te erkennen, is het maken van de bom werkelijk een noodzakelijk
kwaad geweest.’
‘Dan geeft u me dus gelijk.’
‘O ja?’
‘Jazeker.Wat ik u vraag kan opnieuw een noodzakelijk kwaad
zijn om te zorgen dat onze jonge natie blijft bestaan. Wat ik
bedoel is dat u uw pacifisme al eens opzij hebt gezet tijdens de
Tweede Wereldoorlog, en dat opnieuw hebt gedaan om bij te
dragen aan het ontstaan van Israël. Ik wil graag weten of u het
nogmaals kunt doen.’
‘Ik weet het niet.’
Ben Gurion zuchtte. ‘Professor, onze jonge natie verkeert in
levensgevaar. U weet evengoed als ik dat Israël omringd is door
vijanden en een effectief afschrikmiddel nodig heeft, iets waar
onze vijanden voor terugdeinzen. Anders wordt ons land al in
zijn beginjaren verzwolgen. Daarom vraag ik – nee, smeek ik u,
en roep ik met klem uw hulp in. Alstublieft, zet nog eenmaal uw
pacifisme opzij en help ons op dit hachelijke moment.’
‘Het probleem is niet alleen dat, premier.’
‘O?’
‘Het probleem is dat ik het bijzonder druk heb. Ik ben aan
het proberen een theorie te ontwikkelen die de verschillende
domeinen verenigt, die zowel zwaartekracht als elektromagnetisme
omvat. Het is een heel belangrijke klus, misschien zelfs
het...’
‘Kom nou, professor,’ viel Ben Gurion hem in de rede. ‘Ik
weet zeker dat u begrijpt dat hetgeen waar ik het over heb, prioriteit
heeft.’
‘Zeker,’ gaf de wetenschapper toe. ‘Maar het is niet zeker of
wat u me vraagt ook mogelijk is.’
‘En?’
Einstein aarzelde. ‘Misschien,’ zei hij ten slotte. ‘Ik weet het
niet, ik zal de kwestie moeten bekijken.’
‘Doe dat, professor. Doe het voor ons, doe het voor Israël.’
Frank Bellamy krabbelde vlug zijn aantekeningen neer, en toen
hij daarmee klaar was, richtte hij zijn blik opnieuw op de wijzertjes. De rode
naaldjes in het beeldschermpje trilden op het
ritme van het geluid, wat betekende dat alle woorden werden
opgenomen.
Bob bleef aandachtig luisteren naar wat er werd gezegd, maar
ten slotte schudde hij zijn hoofd. ‘Ik geloof dat we de essentie
hebben,’ zei hij. ‘Zal ik de opname stoppen?’
‘Nee,’ zei Bellamy, ‘laat hem doorlopen.’
‘Maar ze hebben het over iets heel anders.’
‘Dat geeft niet. Misschien komen ze er zo meteen op terug.
Laat hem aan staan.’
‘...vaker gezegd, ik heb geen conventioneel beeld van God, maar
het kost me moeite te geloven dat er buiten de materie niets
bestaat,’ zei Ben Gurion. ‘Ik weet niet of u me kunt volgen.’
‘Ja, heel goed.’
‘Kijk,’ zei de politicus. ‘Hersenen bestaan uit materie, net
zoals een tafel. Maar de tafel denkt niet. De hersenen maken
deel uit van een levend organisme, net zoals mijn nagels, maar
mijn nagels denken niet. Het is de combinatie van lichaam en
hoofd die denken mogelijk maakt. Wat mij op het idee brengt
dat het heelal als geheel een denkend lichaam is. Denkt u niet?’
‘Het is mogelijk.’
‘Ik heb altijd gehoord dat u een atheïst was, professor, maar
denkt u niet...’
‘Nee, ik ben geen atheïst.’
‘Niet? Bent u gelovig?’
‘Ja. Zo kun je het wel zeggen.’
‘Maar ik heb ergens gelezen dat u vindt dat de Bijbel het mis
heeft...’
Einstein lachte. ‘Nou, dat vind ik ook.’
‘Dus dan gelooft u niet in God.’
‘Dan geloof ik niet in de God van de Bijbel.’
‘Wat is het verschil?’
Er klonk een zucht.
‘Weet u, als klein jongetje was ik heel gelovig. Maar op mijn
twaalfde begon ik wetenschappelijke boeken te lezen, van die
populair-wetenschappelijke werkjes, ik weet niet of u die kent...’
‘Jawel.’
‘...en toen kwam ik tot de conclusie dat de verhalen uit de
Bijbel voor het grootste deel niet meer dan mythische vertellingen
waren. Zowat van de ene dag op de andere viel ik van mijn
geloof. Ik begon er goed over na te denken en het drong tot me
door dat het idee van God als een persoon een beetje naïef is,
kinderachtig zelfs.’
‘Hoezo?’
‘Omdat het om een antropomorfe voorstelling gaat, een fantasie
die mensen hebben gecreëerd om hun lot te beïnvloeden
en troost te geven in moeilijke tijden. Aangezien we geen grip
hebben op de natuur, hebben we verzonnen dat die wordt
beheerst door een welwillende, paternalistische God, die naar
ons luistert en ons leidt. Een heel troostrijke gedachte, vindt u
niet? We hebben de illusie gecreëerd dat we, als we maar veel
bidden, voor elkaar krijgen dat Hij de natuur regelt en onze
wensen vervult, zomaar, door toverkracht. Als het slecht gaat en
we niet kunnen begrijpen dat een welwillende God dat heeft
toegestaan, zeggen we dat daar een of andere mysterieuze bedoeling
achter zit en troosten we onszelf daar een beetje mee.
Dat is toch onzinnig, vindt u niet?’
‘Gelooft u niet dat God zich met ons bezighoudt?’
‘Luister, excellentie, wij zijn een van de miljoen diersoorten
op de derde planeet van een ster aan de rand van een middelgroot
melkwegstelsel met duizenden miljoenen sterren, en dat
melkwegstelsel is zelf weer een van de duizenden miljoenen
sterrenstelsels in het heelal. Hoe moet ik geloven in een God die
de moeite neemt om zich, in die onvoorstelbare onmetelijkheid,
bezig te houden met alle mensen?’
‘Nou, volgens de Bijbel is Hij goed en almachtig. Als Hij
almachtig is kan Hij alles, ook zich bezighouden met het heelal
en alle mensen, nietwaar?’
Einstein gaf een klopje op zijn knie. ‘O ja, is Hij goed en
almachtig? Wat een absurde gedachte! Als Hij werkelijk goed en
almachtig is, zoals de Bijbel beweert, waarom laat Hij dan toe
dat het kwaad bestaat? Waarom liet Hij bijvoorbeeld de
Holocaust gebeuren? Welbeschouwd spreken die twee ideeën
elkaar tegen, nietwaar? Als God goed is, kan Hij niet almachtig
zijn, aangezien Hij geen einde weet te maken aan het kwaad. Als
Hij almachtig is, kan Hij niet goed zijn, aangezien Hij het
kwaad laat voortbestaan. Het ene idee sluit het andere uit. Aan
welk geeft u de voorkeur?’
‘Eh... misschien aan het idee dat God goed is, denk ik.’
‘Maar dat idee brengt vele problemen met zich mee, ziet u
wel? Als u de Bijbel aandachtig leest, zult u merken dat daar niet
een beeld uit naar voren komt van een welwillende God, maar
eerder van een jaloerse God, een God die blinde trouw eist, een
God die angst aanjaagt, een God die straft en offert, een God
die zover gaat Abraham op te dragen zijn zoon te doden, alleen
maar om er zeker van te zijn dat de patriarch hem trouw is. Als
Hij alwetend is, wist Hij dan niet allang dat Abraham hem
trouw was? Als Hij goed is, waarom dan deze wrede test? Dus
Hij kan niet goed zijn.’
Ben Gurion lachte hardop. ‘Daar hebt u me, professor,’ riep
hij uit. ‘Oké dan, God is niet per definitie goed. Maar als schepper
van het heelal is Hij op z’n minst almachtig, of niet soms?’
‘Zou het? Als dat zo is, waarom straft Hij dan zijn schepselen,
als alles zijn schepping is? Hij zal ze toch niet straffen voor dingen
waarvoor hij in feite als enige verantwoordelijk is? Wanneer
Hij zijn schepselen veroordeelt, spreekt Hij dan niet een oordeel
uit over zichzelf? Eerlijk gezegd kan volgens mij alleen het
feit dat Hij niet bestaat hem vrijpleiten.’ Hij zweeg even. ‘Trouwens,
welbeschouwd is niet eens almacht een mogelijkheid,
want dat begrip op zichzelf zit ook al vol onoplosbare logische
tegenstrijdigheden.’
‘Hoezo?’
‘Er bestaat een paradox die de onmogelijkheid van de almacht
verklaart, en die als volgt kan worden geformuleerd: als
God almachtig is, kan Hij een steen scheppen die zo zwaar is
dat niet eens hijzelf hem kan optillen.’ Einstein trok zijn ene
wenkbrauw op. ‘Ziet u wel? Daar zit ’m de tegenstrijdigheid. Als
God er niet in slaagt die steen op te tillen, is Hij niet almachtig.
Als Hij er wel in slaagt, is Hij ook niet almachtig, want dan is
Hij niet in staat gebleken een steen te scheppen die Hij niet kan
optillen.’ Hij glimlachte. ‘Kortom, er bestaat geen almachtige
God, dat is een verzinsel van de mens op zoek naar troost en
naar een verklaring voor wat hij niet begrijpt.’
‘Dus u gelooft niet in God.’
‘Ik geloof niet in de persoonlijke God uit de Bijbel, nee.’
‘Denkt u dan dat er buiten de materie niets is?’
‘Nee, natuurlijk is er wel iets. Er moet iets achter de energie
en de materie zitten.’
‘Hoe zit het nu, professor, gelooft u of gelooft u niet?’
‘Ik geloof niet in de God uit de Bijbel, dat heb ik u al gezegd.’
‘Maar waar gelooft u dan in?’
‘Ik geloof in de God van Spinoza, die zich kenbaar maakt in
de harmonieuze orde van alles wat bestaat. Ik bewonder de eenvoudige
schoonheid en logica van het heelal, ik geloof in een
God die zich kenbaar maakt in het heelal, in een God die...’
Frank Bellamy sloeg zijn blik op naar de hemel en schudde zijn
hoofd. ‘Jesus Christ!’ mompelde hij. ‘Ik geloof mijn eigen oren
niet.’
Bob verschoof in zijn stoel bij de bandrecorders. ‘Bekijk het
van de positieve kant,’ zei hij. ‘Frank, besef je wel dat we zitten
te luisteren naar het grootste genie aller tijden, die uit de doeken
doet hoe hij over God denkt? Hoeveel mensen zouden er
niet een lieve duit voor over hebben om dit te horen?’
‘Dit is geen showbusiness, Bob. Het gaat hier om de nationale
veiligheid, en we moeten meer te weten komen over het verzoek
dat Ben Gurion hem gedaan heeft. Als Israël over de
atoombom beschikt, hoe lang denk je dat het dan nog duurt
voor iedereen er een heeft? Hè?’
‘Je hebt gelijk. Sorry.’
‘We moeten absoluut meer details te weten komen.’
‘Je hebt gelijk. Laten we maar verder luisteren.’
‘...van Spinoza.’
Er viel een lange stilte.
Die werd verbroken door Ben Gurion. ‘Professor, denkt u dat
het mogelijk is het bestaan van God te bewijzen?’
‘Nee, excellentie, dat denk ik niet. Het is niet mogelijk het
bestaan van God te bewijzen, net zomin als het mogelijk is Zijn
niet-bestaan te bewijzen. We bezitten alleen het vermogen het
mysterie te voelen, onze verrukking over het wonderlijke plan
dat tot uitdrukking komt in het heelal.’
Er viel opnieuw een stilte.
‘Waarom probeert u niet het bestaan of niet-bestaan van God
te bewijzen?’
‘Dat lijkt me niet mogelijk, dat zeg ik u net.’
‘Als het wel mogelijk zou zijn, wat zou dan de manier zijn?’
Stilte.
Nu was het de beurt aan Einstein om een hele tijd te zwijgen.
De oude wetenschapper keek om zich heen naar al het groen
dat Mercer Street omlijstte; hij bekeek het met de ogen van een
wijze, met de ogen van een jongetje, met de ogen van iemand
die alle tijd van de wereld heeft en niet het vermogen verloren
heeft zich te verwonderen over de uitbundige pracht van
Moeder Natuur tijdens haar afspraakje met de lente.
Hij ademde diep in. ‘Raffiniert ist der Herrgott, aber boshaft ist
er nicht,’ zei hij ten slotte.
Ben Gurion keek geïntrigeerd. ‘Was wollen Sie damit sagen?’
‘Die Natur verbirgt ihr Geheimnis durch die Erhabenheit ihres
Wesens, aber nicht durch List.’
Frank Bellamy gaf een klap tegen het raamkozijn. ‘Damn,’ riep
hij uit. ‘Nou beginnen ze in het Duits!’
‘Wat zeggen ze?’ vroeg Bob.
‘Weet ik veel! Zie ik er soms uit als een mof?’
Bob keek beduusd. ‘Wat nu? Doorgaan met opnemen?’
‘Natuurlijk.We nemen de band mee naar het bureau en dan
mag een of ander fucking genie het gaan vertalen.’ Hij trok een
misprijzende grijns.‘Met al die nazi’s die daar tegenwoordig zitten
zal dat niet zo moeilijk zijn.’
De agent bracht zijn gezicht vlak voor het raam, en terwijl het
glas besloeg van zijn adem bleef hij staan kijken naar de twee
oude mannen aan de overkant. Zoals ze daar in hun stoelen
zaten leken het wel twee broers, zij aan zij in de tuin van Mercer
Street 112.