Skip to: site menu | section menu | main content

 

Currently viewing: www.ezzulia.nl » Prijsvragen

De Winnaars:

23 februari 2008 | Hieronder staan de vijf winnaars van de prijsvraag waarin vijf exemplaren van De Gaudí Sleutel waren te winnen, beschikbaar gesteld door uitgeverij A.W. Bruna:

1. Rick de Haas (Knegsel)
2. Jos Brouns (Rotterdam)
3. Marianne de Rouw ('s-Hertogenbosch)
4. Suzanne Peters (Brummen)
5. Ria Slot (IJsselstein)

Alle winnaars van harte gefeliciteerd. De Gaudí Sleutel komt zo spoedig mogelijk naar jullie toe. Het juiste antwoord van de prijsvraag was niet echt moeilijk: De vermaarde architect Antoni Gaudí sterft nadat hij onder een tram is gekomen.

Heb je deze keer niets gewonnen? Binnenkort komen er weer nieuwe  prijsvragen met voldoende kans om nieuwe boeken te winnen.

 

WIN EEN EXEMPLAAR VAN DE GAUDÍ SLEUTEL

11 februari 2008 | Een wervelende zoektocht vol raadselen naar het best bewaarde geheim van de wereldberoemde architect Antoni Gaudí. De symboliek in zijn werk, vooral in de kathedraal Sagrada Familia, speelt een zeer belangrijke rol.
 
Barcelona, 1926. De vermaarde architect Antoni Gaudí sterft nadat hij onder een tram is gekomen. Een ongeluk, zo wordt beweerd.

Tachtig jaar later is zijn leerling Juan een oude man die zijn geheugen begint te verliezen. Al die tijd heeft hij het grote geheim van zijn meester verborgen moeten houden. Nu is de tijd gekomen om zijn taak over te dragen. Hij vertelt zijn kleindochter Maria over een eeuwenoude profetie en een relikwie en wat die met Gaudí’s werk te maken hebben.

Maria vindt het aanvankelijk een ongelooflijk verhaal, maar twijfelt niet langer wanneer ze achtervolgd wordt en haar grootvader twee dagen later wordt vermoord. Zij zal zijn taak moeten volbrengen. Wanneer ze het werk van Gaudí beter gaat bestuderen, vindt ze complexe raadselen en aanwijzingen.

Voortdurend opgejaagd, begint ze een koortsachtige zoektocht dwars door Barcelona, langs de Sagrada Familia en Parc Guëll. De wereldgeschiedenis wordt voor haar ogen herschreven, en zij krijgt de sleutel voor de toekomst in handen.
 
De Gaudí Sleutel is een bestseller in Spanje, zowel het publiek als de pers zijn heel enthousiast. Inmiddels is het boek verkocht aan tien landen.
 
Andreu Carranza (49) is journalist en auteur. Voor meer info, kijk op: http://myspace.com/andreucarranza.
Esteban Martín (49) is antropoloog, auteur en uitgever.

 ‘Juist door een figuur als Gaudí te gebruiken en een nieuw licht te werpen op zijn creatieve talent, zal deze roman aanslaan bij het grote publiek.’ – La Voz de Galicia

Esteban Martín & Andreu Carranza, De Gaudí Sleutel
Paperback, 356 pagina’s
Verkoopprijs: € 19,95
ISBN: 978 90 229 9361 3
 


Uitgeverij A.W. Bruna heeft vijf exemplaren van De Gaudí Sleutel klaarliggen voor de bezoekers van Ezzulia. De vraag aan de uiteindelijke gelukkige winnaars is wel om binnen een paar weken een korte recensie te schrijven en deze op het forum te plaatsen.

Hoe maak jij kans op een exemplaar van De Gaudí Sleutel?

Wat moet je doen om in aanmerking te komen voor deze spannende thriller? Schrijf vóór woensdag 20 februari a.s. een mailtje met het antwoord op de onderstaande vraag, je naam en adres én de naam waaronder je bent ingeschreven op het forum van Ezzulia naar dit emailadres en binnen een paar dagen na de sluitingsdatum van de prijsvraag weet jij of je deze spannende thriller gaat ontvangen.

De vraag: Hoe sterft de beroemde architect Gaudí?

Let op: het antwoord in onder andere op deze site te vinden.

Vergeet niet in je mailtje te vermelden:

  • Het antwoord op de vraag.

  • Je naam en het adres waar wij het boek naartoe moeten sturen.

  • De naam waaronder je bent ingeschreven op het forum van Ezzulia (zie: www.ezzulia.nl/forum/). Als geregistreerde bezoeker maak je vijf keer zoveel kans bij onze prijsvragen en acties.

Maak kans op een reis naar Barcelona !

Los van de prijsvraag op Ezzulia kan je ook nog kans maken op een prachtige reis naar Barcelona. Dat kan via de prijsvraag van de uitgever zelf. Kijk hiervoor op de website van A.W. Bruna. Of klik hier.

Een voorpublicatie:

Barcelona, 6 juni 1926

‘Het moet op een ongeluk lijken, begrepen?’ zei de gemaskerde

man met een grafstem.

‘Maakt u zich geen zorgen, Asmodeus, dat komt voor elkaar,’

bevestigde een van de twee doodsbange figuren die voor hem

stonden.

Beiden waren naar de crypte gekomen op de door Asmodeus

aangegeven tijd. Ze gingen gekleed in zwarte wollen habijten

met een kap over hun hoofd. Ze liepen naar het altaar, een

vijfhoek die uit een blok zwart marmer was gebeiteld, waar

Asmodeus op hen stond te wachten. De crypte, die zich onder

het herenhuis De Zeven Poorten bevond, was verlicht door

allemaal kleine kandelaars aan de muren, de blauwige vlammen

zorgden voor een spookachtige sfeer. De twee kroonluchters die

aan beide zijden van het altaar hingen, verlichtten de figuur

van Asmodeus terwijl hij de kelk vulde voor de ceremonie. Hij

zette hem voorzichtig op het altaar en keek op naar de twee

mannen. Het flauwe licht legde een glans over zijn Venetiaanse

carnavalsmasker, waarachter een gezicht verborgen was dat geen

enkel lid van de Fundamentele Garde ooit had gezien. Met een

lichte beweging van zijn rechterhand gaf hij te kennen dat ze

mochten spreken.

‘We volgen hem al heel lang, zoals u ons had opgedragen. De

ouwe maakt altijd hetzelfde rondje. Hij verlaat zijn atelier

om een uur of halfzes en loopt naar de kerk op de Plaza San

Felipe Neri,’ zei de langste van zijn twee handlangers.

‘Dat is een flinke wandeling.’

‘Die ouwe denkt dat het goed is voor zijn reumatiek,’

bevestigde de ander.

Hij was wat dikker dan zijn collega, en hij had een piepstem,

die helemaal niet paste bij zijn wrede gezicht. Toch

vertoonden die twee figuren een opvallende gelijkenis. Alsof

het kwaad altijd min of meer hetzelfde gezicht heeft.

‘Hij volgt de Gran Vía en steekt over ter hoogte van Bailén,

naast de Plaza de Tetuán. Dan gaat hij over Urquinaona en

daarna over Fontanella tot aan Puerta del Angel. Vanaf daar

loopt ie verder over de Calle Arcs, de Plaza Nova, de Calle

del Bisbe, onder de boog van San Severo door, en hij eindigt

zoals gezegd op de Plaza San Felipe Neri,’ zei hij, naar zijn

collega kijkend.

Die vervolgde: ‘Hij blijft in de kapel totdat die dichtgaat.

Daarna gaat ie terug via dezelfde route...’

‘Maar als hij op de Plaza Urquinaona komt, houdt hij halt bij

een kiosk en koopt daar de middageditie van La Veu de

Catalunya. En dan gaat ie terug naar zijn atelier,’ onderbrak

zijn collega hem.

‘Hij is rond tien uur ’s avonds weer terug,’ besloot de ander.

Als ze een blik hadden kunnen werpen op het gezicht van de

gemaskerde man, zouden ze een voldane glimlach hebben gezien.

Ze leverden goed werk af, het was geen vergissing geweest om

van alle Fundamentele Gardeleden deze twee te kiezen.

‘Hij is diepgelovig geworden, wie had dat gedacht? Gaat hij

ook nog bij iemand op bezoek?’

‘Ja, bij pater Augustinus Mas, in de kerk van San Felipe

Neri.’

‘Dat is zijn geestelijk leider,’ beaamde de schurk met de

piepstem.

‘Ik heb jullie gekozen omdat jullie de besten zijn. Er mogen

geen fouten gemaakt worden.’

‘Maakt u zich geen zorgen,’ zei de lange.

De ander leek te twijfelen, en Asmodeus zag het.

‘Is er een probleem?’

‘Een kind.’

‘Een kind?’

‘Ja. Sinds een paar dagen heeft de man een kind bij zich. Hij

woont bij hem in het atelier, dat weten we zeker.’

‘Sinds wanneer?’

‘Sinds een paar maanden.’

‘Hoeveel maanden?’

‘Bijna een jaar, elf maanden.’

‘En wat heeft een kind te zoeken in het atelier van een oude

gek?’

Tijdens het gesprek van de drie mannen waren er andere

gemaskerde figuren binnen komen druppelen. Ze gingen een paar

meter achter de twee handlangers staan die met Asmodeus in

gesprek waren. Als schaakstukken stonden ze op de zwarte en

witte vloertegels, en ze reciteerden een paar vreemde woorden.

De woorden werden voortdurend herhaald, steeds luider, en ze

brachten een diep geroezemoes voort, dat bijna vanuit de grond

leek op te stijgen.

Asmodeus stelde zijn vraag nogmaals, bijna fluisterend: ‘Wat

heeft een kind te zoeken in het atelier van een oude gek?’

‘De man met de piepstem probeerde het als onbelangrijk af te

doen: ‘Soms gaan ze ’s ochtends een eindje wandelen, en het

kind gaat ook met hem mee naar de mis. Ik denk dat we ons niet

al te veel zorgen over hem hoeven te maken. We kunnen…’

‘Nee!’ onderbrak Asmodeus hem. ‘Twee ongelukken, dat zou veel

te verdacht zijn.’

‘Maakt u zich geen zorgen over het kind, we zullen hem

onschadelijk maken. Het is maar een kind.’

‘Is hij familie van de oude man?’

‘We denken van niet. De man leeft als een kluizenaar in zijn

atelier, het is een vreemde vogel.’

‘Heel vreemd, inderdaad. Een verloren leven wiens ziel jullie

hopelijk morgenmiddag naar zijn god zullen helpen. En

vervolgens breng je mij het geheim.’

‘Heeft hij het altijd bij zich?’ vroeg de man met de piepstem.

‘Altijd, hij neemt het zelfs mee naar bed,’ bevestigde

Asmodeus. ‘Zorg dat je met hem afrekent, fouilleer hem en

breng me zijn geheim. Jullie hebben niet veel tijd, net genoeg

voordat iedereen erop afkomt. Ik wil niet dat het mislukt.’

‘Het gaat goed, vertrouw op ons.’

‘Dat mag ik hopen.’

De twee handlangers hoopten het ook, want ze wisten beiden

maar al te goed dat Asmodeus geen enkele fout zou tolereren.

‘Dei Par! Dei Par! Dei Par!’

De gemaskerde figuren bleven het herhalen. Ze waren met

ongeveer twintig man, met hun leider erbij. De vreemde woorden

klonken luider en luider. Wat begonnen was als een gebed, was

langzaam maar zeker overgegaan in een kommerlijke klaagzang,

een smeekbede van een groep dwazen die iets onbegrijpelijks

riepen: ‘Dei Par!’

Asmodeus strekte zijn hand uit naar zijn twee handlangers en

beiden kusten de ring die hij droeg met de vijfhoekige steen

van zwarte onyx: het symbool van zijn macht. Op het moment dat

het geschreeuw een niveau bereikt had van verscheurende, bijna

onmenselijke klanken, dompelden de beide handlangers hun

handen in de metalen beker met bloed die Asmodeus even

daarvoor nog had vastgehouden. In een precieze rij liepen de

andere aanwezigen langs het altaar en ook zij dompelden hun

handen in de zwarte metalen kelk.

De smeekbede had nu een hoogtepunt bereikt. De gemaskerde

figuren begonnen te bewegen als een golf, terwijl ze hun

handen naar hun gezicht brachten en het besmeurden met bloed.

Toen klonk de afgemeten stem van Asmodeus, en de donkere

mensenzee opende zich. Zijn twee handlangers liepen door de

doorgang die de gemaskerde figuren in hun midden hadden

gemaakt, terwijl ze een spoor van bloed achter zich lieten. Ze

moesten een opdracht vervullen. Achter hen sloot de zee zich

weer, de smalle doorgang stroomde dicht. Alle aanwezigen

huilden en riepen, ze lieten zich op hun knieën op de grond

vallen, alsof ze bezeten waren door een of andere waanzinnige

kracht, en ze likten het bloedspoor op dat de twee

uitverkorenen hadden achtergelaten.

‘Dei Par! Dei Par!’

Even later stond alleen de man die Asmodeus werd genoemd nog

in de crypte. Eindelijk, na zoveel jaren, zou het geheim in

zijn handen komen. De oude man had een van zijn beste

handlangers kunnen zijn, maar je kunt je leven niet in dienst

stellen van God en de duivel tegelijkertijd. Al in zijn

studententijd was hij begonnen de eeuwenoude kennis te

vergaren, de geheime kennis van de bouwer, de bouwmeester. De

Fundamentele Garde had hem in die tijd proberen over te halen,

maar hij wilde niet toetreden tot hun broederschap. De

vijanden van de Fundamentele Garde, de Zeven Ridders van

Moria, wisten hem echter voor zich te winnen. Later, toen hij

het geheim al in zijn bezit had, werd hij onder invloed van

zijn machtige mecenas de beste van allemaal en werd hij de

bewaarder van het grootste geheim.

Maar de leden van de Fundamentele Garde waren altijd op hun

hoede, en ze hielden hem al die jaren in de gaten. De oude man

had een gave, hij had een openbaring gehad en zo de opdracht

gekregen om het magnum opus te bouwen. De Fundamentele Garde

stond klaar om hem daarvan te weerhouden.

Net als Mozes zou de oude man nooit het beloofde land

betreden. Het beloofde land zou er nooit zijn. Asmodeus wist

tot waar hij gekomen was. De oude man had zijn hele leven naar

één enkel doel toe gewerkt, en hij stond op het punt het te

bereiken. Hij had de kaart getekend, gedurende al die jaren

zijn plannen vormgegeven, hij wist precies waar het moest

komen, hij kende de punten en de coördinaten, de structuren,

de combinaties van bepaalde symbolen, en de geheime code. Al

die jaren had de Fundamentele Garde hem met rust gelaten, maar

hun spionnen informeerden hen over elke vooruitgang. Ze vielen

hem niet lastig, ze hielpen hem zelfs. Zonder dat de oude man

het wist, werkte hij ook voor hen. En vanaf het begin was

duidelijk waar en wanneer de afrekening zou plaatsvinden.

Nu was de tijd gekomen om te sterven.

Dei Par, dacht Asmodeus bij zichzelf. Gelijke goden.

Barcelona, de stad van de eeuwige tweestrijd. Gesticht door

Hercules, de god van de zon, en ook door de maan: Tanit, de

god van de duisternis. De uitverkoren stad. Dei Par. Onze tijd

is gekomen.

Asmodeus wist zijn werkelijke identiteit goed te verbergen,

dat was een zaak van het allergrootste belang. Alleen hij had

toegang tot de geheime gangen. Geruime tijd wachtte hij

behoedzaam af, tot hij zeker wist dat hij alleen was. Nu was

de tijd rijp om weer de gedaante van vooraanstaand burger aan

te nemen. Hij nam zijn wandelstok in zijn linkerhand en liep

weg, gehuld in zijn zwarte mantel. Buiten stonden twee

persoonlijke lijfwachten op hem te wachten. De chauffeur

opende de deur van de Hispano-Suiza, die op de stoep

geparkeerd stond. Asmodeus maakte een gebaar dat voor iedereen

meteen duidelijk was. Hij liep nog een paar meter verder.

Plotseling klonk er een oorverdovend lawaai, en hij bleef met

een schok staan. Er vielen schoten en hij hoorde geschreeuw.

De twee lijfwachten liepen de straat op. Een van hen kwam naar

hem toe en zei: ‘Het zijn syndicalisten. Ze zijn vanavond

actief in dit deel van de stad, u kunt beter niet gaan lopen,

stapt u maar in de auto.’

Barcelona was een stad waar wel eens wat gebeurde, maar soms

wilde hij toch liever te voet naar huis gaan, zonder escorte,

hoe gevaarlijk dat ook was. Dit was een speciale nacht, hij

wilde gewoon alleen zijn, het gevaar fijnmalen tussen zijn

tanden, in de schaduwen verdwijnen. Hij verlangde ernaar de

macht van de duisternis te voelen, terug te denken aan de

tijden van weleer, toen zijn naam Bitru was, en hij nog

slechts een prins was, die graag de nieuwe Asmodeus wilde

worden. Zo ging het al eeuwen. Er was nu een andere Bitru

opgestaan, een prins die niet lang meer zou wachten om de

nieuwe Asmodeus te worden.

Opeens verdween zijn silhouet in het duister. Op dit uur zag

je in de straten nog slechts de mist, en een paar oude hoeren,

en rook je de stank van de haven van Barceloneta. Hij verborg

zich in een donker portiek, wachtte enkele minuten en zette

toen zijn masker weer op. Hij sloop onder de luifels door; het

was een hete zomer. Hij keek naar de andere kant van de Paseo

Isabel II, naar het handelsgebouw Lonja. Niemand te zien, geen

mens op straat. Op dit uur werd dit deel van Barcelona een

stad van schaduwen, en daar hield hij van. Hij was diep in

gedachten, toen iemand plots zijn arm vastpakte.

‘Zal ik je eens lekker verwennen?’

Hij draaide zich om en trok zijn arm terug. Voor hem stond een

wanstaltige oude vrouw, een vies en stinkend wezen,

waarschijnlijk een broeinest van allerlei ziekten.

‘Laat me los!’

‘Ben je zo lelijk dat je je gezicht moet bedekken? Ik hou wel

van een beetje pervers, hoor.’

Hij kon haar zo vermoorden, schoot het door hem heen. Maar de

walging die hij voor haar voelde weerhield hem ervan, en redde

zo haar leven. Snel liep hij verder.

Hij liep door de Calle Avinyó en kwam een paar minuten later

op de Plaza Real.

Hij wilde ze nog eens zien.

Hij stak het plein over. Tussen de palmbomen, op een stenen

plateau, stonden de twee zesarmige lantaarns van brons, ijzer

en glas. Hij tilde zijn wandelstok op en sloeg ermee tegen het

smeedijzeren dier op een van de armen: een opgerolde slang. De

klappen galmden over het plein.

‘Hé, idioot! Heeft die lantaarn je soms iets gedaan?’

Hij draaide zich om en zag een dronkaard waggelend dichterbij

komen, roepend dat hij de lantaarn met rust moest laten. De

dronkaard keek hem aan.

Het laatste wat deze arme ziel zag, waren de ogen van zijn

aanvaller. Stokstijf van angst bleef hij staan. Met één

vloeiende beweging trok Asmodeus het handvat van zijn

wandelstok en stak het zwaard dat daarin verborgen zat, in het

hart van de man.

Hij glimlachte tevreden. Deze nacht zou hij goed slapen.

 

 

Terug naar boven