Skip to: site menu | section menu | main content

 

Currently viewing: www.ezzulia.nl » Prijsvragen

DE WINNAARS

2 april 2009 | De winnaars van de Gerard Donovan prijsvraag zijn bekend. De oplossing was lastiger dan verwacht: Julius Winsome bezit in totaal 3.282 boeken. Veel inzendingen kwamen met het antwoord "ruim 3.000" en aangezien wij vroegen om het exacte aantal was dat niet goed genoeg om kans te maken op één van de vijf exemplaren van het boek Julius Winsome.

De vijf winnaars van Julius Winsome, de roman van Gerard Donovan, zijn:


01. Connie Arts (Roermond)
02. Natasja Rietveld (Geleen)
03. Jolanda Krijbolder (Den Haag)
04. Eva Kranen (Leiderdorp)
05. Monique Weber (Lelystad)

Alle winnaars van harte gefeliciteerd en het boek komt zo spoedig mogelijk naar jullie toe.

 

MAAK KANS OP EEN GRATIS EXEMPLAAR VAN "JULIUS WINSOME" VAN GERARD DONOVAN

12 maart 2009 | Het is weer Boekenweek. Dit jaar is het thema: Tsjiep Tsjiep, dieren in de literatuur. Bij uitgeverij Ailantus geen verzamelde columns over lieve katten en ondeugende hamsters maar een briljante korte roman: Julius Winsome van de Ierse schrijver Gerard Donovan. Aangrijpend mooi en bloedstollend spannend!

De hond Hobbes is de enige vriend van Julius Winsome die woont in zijn blokhut midden in de uitgestrekte bossen van Maine. Julius' ex-vriendin vond het leven in de afgelegen hut met meer dan drieduizend boeken te geïsoleerd en koos voor een andere man. Winsome vindt het goed zo, tot het moment dat hij zijn hond bloedend aantreft, neergeschoten. Als de dierenarts hem vertelt dat het geen ongeluk was komt Julius in beweging. Het verslag van zijn wraakactie is adembenemend. De stem van Julius – medelevend, kwetsbaar én dreigend, blijft je achtervolgen. Die stem en die stijl maken dat het boek leest als een tijdloze klassieker.


Julius Winsome
Auteur: Gerard Donovan
Oorspronkelijke titel: Julius Winsome
Uitgeverij Ailantus
ISBN: 978 90 895 3010 3
Paperback
Prijs: 16,95

 


Uitgeverij Ailantus heeft vijf exemplaren van Julius Winsome van Gerard Donovan klaarliggen voor de bezoekers van Ezzulia.

Hoe maak jij kans op een exemplaar van "Julius Winsome"?

Wat moet je doen om in aanmerking te komen voor deze mooie en spannende roman?

Schrijf vóór donderdag 19 maart a.s. een mailtje met het antwoord op de onderstaande vraag, je naam en adres én de naam waaronder je bent ingeschreven op het forum van Ezzulia naar dit emailadres en binnen een paar dagen na de sluitingsdatum van de prijsvraag weet jij of dit boek gaat ontvangen.

Voor de vraag: Kijk in het prijsvragentopic op het forum van Ezzulia.

Vergeet niet in je mailtje te vermelden:

  • Het antwoord op de vraag.

  • Je naam en het adres waar wij het boek naartoe moeten sturen.

  • De naam waaronder je bent ingeschreven op het forum van Ezzulia (zie: www.ezzulia.nl/forum/).

Alleen geregistreerde bezoekers maken kans op een exemplaar van Julius Winsome.

Veel succes !

 

Leesfragment

Hoofdstuk 1

 Ik denk dat ik het schot hoorde.
        Het was eind oktober, een koude middag, en ik zat in mijn stoel te lezen bij de houtkachel in mijn blokhut. In deze bossen zwerven veel mannen met geweren rond, vooral op plekken waar geen mensen wonen, en hun schoten stuiven als peper door de lucht, zeker op de eerste dag van het jachtseizoen als mensen uit Fort Kent en kleinere plaatsen met lange geweren in hun pick-ups deze kant op komen om op herten en beren te jagen.
        De metalige klap die door het woud galmde leek echter een stuk dichterbij, minder dan anderhalve kilometer als dat het dodelijke schot was, maar het is waar dat ik het sindsdien zo vaak in gedachten heb gehoord, het bandje van die momenten zo dikwijls heb teruggespeeld, dat ik het werkelijke geluid van het geweer niet meer kan onderscheiden van mijn eigen hersenspinsels.
        Dat was dichtbij, zei ik, en ik trok de kachel open, duwde er nog een houtblok in en sloot het deurtje voor de rook naar buiten golfde en de kamer vulde.
        De meeste jagers, zelfs beginnelingen, bleven in het open woud, westelijker in de North Maine Woods en bij de Canadese grens, maar een goed geweer draagt ver en de afstand is soms lastig te schatten zonder muren en wegen.
        Toch klonk het te dichtbij. De ervaren jagers wisten waar ik woonde en waar alle blokhutten stonden in het bos, sommige in het zicht, andere verscholen. Ze wisten dat ze hier geen wapen moesten afvuren, dat kogels doorgaan tot ze iets raken.
        Het vuur brandde goed en mijn benen waren warm, en ik las het verhaal van Tsjechov over een meisje dat niet kan slapen en de baby die maar blijft huilen, en was er zo in verdiept dat ik niet merkte dat mijn hond weg was. Ik had hem kort daarvoor naar buiten gelaten en het gebeurde wel vaker dat hij een eind afdwaalde, al bleef hij meestal binnen een straal van zo’n honderd meter van de hut, dat was zijn territorium, zijn domein.
        Ik liep naar de deur en riep hem, terwijl ik nogmaals bedacht dat het geluid wel erg dichtbij was geweest, en tien minuten later ging ik weer kijken en nog steeds kon ik mijn hond niet vinden, hij kwam niet als ik riep, telkens iets harder, en toen ik naar de bosrand liep en floot, mijn handen als een toeter om mijn mond zette en schreeuwde, gebeurde er niets, kwam er geen bruine schim aanstuiven uit het kreupelhout zoals anders wanneer hij geroepen werd.
        De wind was koud en ik sloot de deur en schoof de handdoek op de vloer tegen de kier om de tocht buiten te houden. Toen deed ik iets wat ik in de wintermaanden zelden doe: ik keek op de klok.
        Het was vier minuten over drie.


 

Hoofdstuk 2

November bereikt het noorden van Maine op een koude wind uit Canada die ongehinderd door het uitgedunde woud giert en sneeuw langs de rivieroevers en over de hellingen drapeert. Het is hier eenzaam, niet alleen in herfst en winter maar altijd; het klimaat is somber en hard, het landschap uitgestrekt en onherbergzaam, en die noordenwind waait meedogenloos door elke kier naar binnen, zodat de lettergrepen soms uit je zinnen rammelen.
        Ik ben hier opgegroeid, in deze bosrijke streek aan de westelijke rand van de St. John Valley, die aan de Canadese provincie New Brunswick grenst en zich uitstrekt langs de oevers en ten zuiden van de St. John River, met zijn golvende heuvels en kleine nederzettingen. Mijn grootvader kwam uit Frans-Acadië, evenals mijn moeder, en om mij onbekende redenen bouwde hij zijn blokhut kilometers uit de buurt van de Fransen, op een bebost stuk land dicht bij de grote wouden in het westelijke deel van de vallei. Destijds was het nog afgelegener dan nu, en het was een vreemde keus omdat die mensen erg aan elkaar hingen: de meeste inwoners van die nederzettingen stamden af van de Frans-Acadiërs die in 1755 door de Britten uit Nova Scotia waren verdreven. Sommigen trokken zuidwaarts naar Louisiana, de rest verhuisde uiteindelijk naar het noorden van Maine, dit volk van uitersten, zei mijn vader, mensen van het diepe zuiden en hoge noorden.
        Het was ook een vreemde keus vanwege de winters. Hij bouwde de blokhut op een hectare gerooid land met aan alle kanten bos, en mijn vader voegde er een ruime schuur aan toe, groter dan de hut, waar hij al zijn gereedschap bewaarde en de pick-up stalde en spullen opborg die gauw kapotgingen of gemakkelijk zoekraakten en de zes wintermaanden buiten niet zouden overleven. Het bos dat het huis omringde bestond zowel uit naald- als uit loofbomen – dennen, eiken, sparren, hemlocksparren, esdoorns – zodat het leek alsof de bomen rond de hut terugweken en een voor een de aftocht bliezen wanneer de bladeren geel en roestrood kleurden, loslieten als dode huid wanneer september kwam, geel over de bodem van het woud ritselden wanneer oktober aanbrak, en wegwaaiden in november.
        De blokhut kwam van de Franse kant van mijn moeder, ik had hem van haar geërfd via mijn vader, zelf een Engelsman. Hij zei dat ik mijn ogen niet zou geloven als ik de hut zag, dat de vallei op het golvende Engelse landschap leek maar dat de taal die tussen deze heuvels weerkaatste het Frans was, niet het Engels. En dat was ook zo’n vreemde beslissing, een Acadische die met een Engelsman trouwde, maar ze was een onafhankelijke vrouw, is me verteld, en het zijn sowieso geen mensen die zich de wet voor laten schrijven.
        De hut vloeit in het bos over, of het bos in de hut. Het ene moment stap je in het woud over een tak, het volgende moment sta je op een veranda en moet je uitkijken. In deze bossen wonen veel mannen die nergens anders kunnen wonen; ze wonen alleen en zijn erg lichtgeraakt, je kunt maar beter je fatsoen houden, of nog beter helemaal niets zeggen. Ze komen naar het noorden en zitten hun tijd uit, of ze waren hier al en zijn om dezelfde reden gebleven. Zulke mannen wonen aan het eind van alle lange wegen in de wereld, en eenmaal beland in een oord als dit kunnen ze niet meer verder. Ze moeten zich wel vestigen, ze hebben geen keus, maar zelfs hier trekken ze zich dan zo ver mogelijk terug, in de diepe schaduw van de bomen. Ik woonde ver van mijn naaste buren, de dichtstbijzijnde blokhutten lagen vijf kilometer ten noorden en westen van de mijne.
        `s Zomers kweekte ik bloemen aan de rand van de open plek, in een bed van zo’n tien meter lang bij een meter breed, vol Oost-Indische kers, goudsbloemen, lelies en vingerhoedskruid, en ieder jaar breidde ik het kleine gazon uit met ingezaaid gras, dat 's zomers uitgroeide tot een warm groen tapijt waarop ik kon liggen en de bloemen ruiken en de blauwe hemel proeven. Maar de winter was dit jaar laat begonnen; gedurende het grootste deel van oktober had er een vreemde, zoele zuidenwind gewaaid en sommige bloemen geurden nog, ver voorbij het seizoen. Ik had ze afgedekt met zwarte plastic zakken waarvan ik met stokken tentjes had gemaakt om ze te beschermen tegen nachtvorst, in de hoop hun kleur nog een weekje te behouden en zo de grauwe maanden die in aantocht waren te bekorten. Ze hadden in de zomer mijn leven opgefleurd en ik wilde ze helpen. Maar de afgelopen dagen was de temperatuur gedaald en nu zouden ook deze volhouders zich spoedig terugtrekken, de bescherming van de aarde zoeken en slapen in hun zaad, in de moordende greep van de winter.

 

Afgezien van mijn hond woonde ik alleen, want ik was nooit getrouwd, al denk ik dat het een keer weinig heeft gescheeld, en dus was zelfs de stilte hier van mij. Het huis was gebouwd rondom stilte: mijn vader was een fervent lezer, en vanaf de houtkachel strekten zich langs de wanden lange boekenkasten uit, van de woonkamer naar de keuken achterin en rechts en links naar de twee slaapkamers, vier planken hoog, voorzien van ieder boek dat hij ooit had bezeten of gelezen, wat op hetzelfde neerkwam, want mijn vader las inderdaad alles. Ik was zodoende omgeven door 3282 boeken, in leer gebonden, eerste drukken, paperbacks, alle in goede staat, alfabetisch gerangschikt en geïnventariseerd op met vulpen geschreven lijsten. En omdat de boekenkasten de hele blokhut omlijstten – en omdat de ene ruimte donkerder en kouder was dan de andere, want verder verwijderd van de houtkachel – waren er ook warme en koude romans. Veel koude romans waren van auteurs van wie de achternaam begon met een letter tussen de J en de M: schrijvers als Johnson en Joyce, Malory en Owen woonden achterin, bij de slaapkamers. Mijn vader noemde het een buitenpost van Alexandrië in Maine, naar de Griekse bibliotheek, en hij deed niets liever als hij na zijn werk binnenkwam dan zijn sokken uitstrekken naar het vuur tot ze dampten, en in zijn dikke trui en met een verse pijp mij dan om een bepaald boek vragen, en ik herinnerde me hoe koud de bladzijden aanvoelden als ik mijn vader het gevraagde werk bracht, ik zag ze onder zijn ogen warm worden bij het vuur, en als hij was uitgelezen bracht ik het warme boek terug naar de plank en schoof het op zijn plaats, waar het maar net paste omdat het iets was uitgezet in de warmte.
        Hoewel hij al twintig jaar dood was, had ik de romans en reisboeken, toneelstukken en verhalen nog allemaal staan zoals hij ze had achtergelaten, werd ik nog steeds omringd door alles wat hij was en wist.
        Op die maandagmiddag nam ik een van die boeken ter hand, een bundel Russische verhalen, en toen ik mijn verhaal uit had tuurde ik uit het raam. Nog steeds geen hond.
        Weer een blik op de klok: tien voor half vier.

 

De pers:

‘sterk en meeslepend […] een boek dat je laat broeden op kwesties van liefde en verlies, lang nadat je het hebt uitgelezen.’ 
Jackie Kay (1961, Groot Brittannië) in Vrij Nederland, ‘Schrijvers over het beste boek’, 7 januari 2009

‘Subliem en met poëtische zeggingskracht’

De Telegraaf


‘Spannend en ontroerend’

VPRO gids


Erg origineel en goed geschreven

Punt


‘een indringende vertelling, in mooie, treffende beelden verwoord [..] Leest u het zelf om het antwoord van dit boek op die vraag te vinden: het is de moeite waard.’

Knack


‘Razend spannend, razend goed. Lezen, lezen en nog eens lezen!
Ronnie Terpstra  Boekhandel Van der Velde, Leeuwarden

 

 

 

Terug naar boven