Skip to: site menu | section menu | main content
De Leestip van Beldaran is deze week een eerbetoon aan de recent overleden auteur Piet Römer. De man die jarenlang gestalte gaf aan de hoofdpersoon uit de politieromans van A.C. Baantjer: De Cock met cee-oo-cee-kaa. Daarnaast koos Beldaran niet voor het papieren boek maar voor voor het luisterboek, voorgelezen door Rudi Falkenhage. In De Cock en de dode meesters zien De Cock en Vledder zich geconfronteerd met een lijk in de Brouwersgracht, een onwillige getuige, een toeschietelijke informante van de cricketclub, een vermoorde advocaat met connecties met de maffia én een competentiestrijd met de narcotica brigade.
27 januari 2012 | De Leestip van Beldaran
'Er-is-een-Amsterdammer-doodgegaan,
hij-liet-zijn-hondje-plassen-op-de-Wallen. Zijn-rikketik-was-even-blijven-staan
en-kijk, hij-was-al-uit-de-koets-gevallen. Daar-lag-hij-in-de-regen,
modder-op-zijn-goeie-pak. Twee-kaartjes-voor...' De schorre stem van Manke Nelis
schalde door het schemerig intieme lokaaltje op de hoek van de Achterburgwal en
de Barndesteeg. Trillende accordeonklanken van een virtuoze Johnny Meijer
zweefden door de tekst. 'Er-is-een-Amsterdammer-doodgegaan.' Een jong, knap,
licht aangeschoten hoertje zong vol overgave mee. Haar onvervalst Jordaan accent
gaf aan de woorden van het lied een extra dimensie. Alsof doodgaan in de regen
het ergste was wat een sterveling kon overkomen. Rechercheur De Cock van het
aloude politiebureau in de Amsterdamse Warmoesstraat, sjokte in zijn zo typische
slentergang naar zijn vaste plekje aan de bar en hees zijn negentig kilo op een
kruk. Zijn jonge assistent Vledder nam naast hem plaats. Lowietje, de tengere
caféhouder, wegens zijn geringe borstomvang in de rosse buurt van Amsterdam
meest Smalle Lowietje genoemd, wreef met zijn kleine handjes langs zijn morsig
vest en begroette de beide rechercheurs uitbundig. 'Zo, zo,' kirde hij. 'Een
tijd niet gezien. Konden jullie de weg naar mijn etablissement nog vinden?' De
Cock glimlachte. 'We gingen op de lucht af.' Smalle Lowietje trok zijn
vriendelijk muizensmoeltje in een grijns. 'Hetzelfde recept?' Zonder op antwoord
te wachten, dook hij aalglad onder de tapkast en kwam luttele seconden later
glunderend weer te voorschijn met een fles fijne cognac Napoleon, die hij
speciaal voor De Cock hield gereserveerd. In een reeks routinegebaren vatte hij
achter zich drie fraai geslepen diepbolle glazen en schonk zacht klokkend in.
Het derde glas was voor hemzelf. Uit traditie dronk hij altijd een glaasje mee.
De Cock keek geboeid toe. Wanneer zijn werk als rechercheur het even toeliet,
vertoefde hij graag in het schemerig intieme lokaaltje, dat door Smalle Lowietje
steevast vol trots als zijn 'etablissement' werd betiteld, en genoot van het
ceremonieel, waarmee de tengere caféhouder de voortreffelijke cognac
presenteerde. Smalle Lowietje hief zijn glas en bracht een toost uit. 'Op alle
misdadigers,' schertste hij vrolijk, 'en hun kindskinderen.' De Cock nam de
toost niet over. Hij wist uit ervaring, dat ook misdadigers kindskinderen
hadden, die ijverig oude familietradities in ere hielden. Hij had er dagelijks
mee te maken. Voorzichtig nam hij een slok van zijn cognac en liet de nectar
langs zijn dorstige keel glijden.’
Kijk hier voor de Leestip van Beldaran op het forum.