Ezzulia interview
Mieke de Loof
Door Gerd Boeren | Ezzulia.nl
24 mei 2010 | Mieke de Loof woont met haar man in hartje Antwerpen. Haar knusse werkkamer ligt op de derde verdieping en kijkt via de balkondeuren uit op een middeleeuws klooster. ‘Ik kan het zo’n luxe vinden om hier te mogen schrijven,’ glimlacht Mieke. Tien jaar geleden zegde ze haar baan op om haar schrijversdroom waar te maken. Ze beklaagde zich deze beslissing geen moment. Ze is gelukkig. De uitgave van haar nieuwste boek voegt een portie trots toe aan dit geluk. Wrede schoonheid krijgt erg enthousiaste reacties en ziet er gewoonweg prachtig uit.
"Het geheim van pure taal?Slijpen, slijpen, slijpen"

Mieke, je was jarenlang docente filosofie en sociologie, tot je in 2000 besliste om je volledig te wijden aan het schrijven. In 2004 verscheen je thrillerdebuut Duivels offer. Dat was precies tweeëntwintig jaar na En niemand hoort je huilen, het boek dat je samen met je vader schreef. Waarom gaapt tussen 1982 en 2004 zo’n groot gat?
In de jaren ’70-’80 waren
mijn ouders en ik erg bezig met de dreiging van een kernoorlog. Het was
de tijd van de koude oorlog, de niet te stuiten wapenwedloop en de
betogingen daartegen. Mijn moeder verzamelde materiaal en wilde een boek
schrijven dat mensen zou waarschuwen voor de gevolgen van een
kernoorlog. Jammer genoeg kreeg mijn moeder leukemie en stierf ze voor
ze dit plan kon uitvoeren. Mijn vader en ik hebben dan beslist om haar
levenswerk voort te zetten. En niemand hoort je huilen is daar
het resultaat van. Het is een non-fictie boek en wezenlijk anders dan
wat ik nu schrijf. Dat er zo’n groot gat gaapt tussen 1982 en 2004 kwam
omdat mijn schrijversdroom ondergesneeuwd was geraakt. Ik stortte me
volledig op het docentschap – dat heb ik heel graag en met veel overgave
gedaan – en op karate.
Nu schrijf je historische misdaadromans met het intrigerende hoofdpersonage Ksaveri Ignatz. Je boeken spelen zich af in Wenen in de jaren 1913-1914, vlak voor de Eerste Wereldoorlog. Waarom koos je precies voor die tijd?
Sinds mijn studententijd ben ik erg geboeid door de filosoof Wittgenstein, zowel door zijn filosofie als door zijn persoon. Hij werd in 1889 in Wenen geboren en stierf in 1951 in Cambridge. Toen ik zijn leven wat beter bestudeerde, merkte ik dat zijn zus hem op de weg van de filosofie zette. Zij leerde hem Schopenhauer kennen. Wittgenstein en zijn zus hadden een speciale band. Als kinderen hadden ze een geheimtaal die alleen zij verstonden en die ze spraken in het bijzijn van de familie. Zijn zus was een intrigerende vrouw, zowat de rebel van de familie. Als filosofe wou ik haar biografie schrijven en ik heb daarvoor onder andere verschillende keren haar zoon bezocht in Wenen. Ik mocht van hem haar dagboeken kopiëren, maar toen merkte ik dat haar rijke maar ongelukkige huwelijk haar minder rebels maakte. Het was alsof haar vleugels afgesneden werden. Dat was voor mij minder interessant, dat feit gaf mij onvoldoende ruimte. De biografie is er dus niet gekomen, maar doordat ik via de Wittgensteins zoveel mensen uit die tijd leerde kennen, kwam wel de beslissing om mijn historische misdaadromans in die periode te plaatsen.
Het is overigens een erg
boeiende tijd – “mijn tijd” noem ik het altijd. Als filosofe kijk je
niet alleen naar filosofen en hun werk, maar ook naar een
totaalinterpretatie van een maatschappij. Je ziet echt dat 1913 een
breuklijn vormt in het denken. In mijn boeken wil ik dat scharnier in
het denken op een prettige en spannende manier duiden.
Je plant een cyclus van zeven boeken. Wrede schoonheid speelt zich af in 1914 en is het derde boek in de reeks. Binnenkort zit je echt ín de oorlog…
Ik zou nog graag twee
boeken willen schrijven voor de oorlog. Ik heb al zitten rekenen, en het
moet kunnen. Eenmaal je ín de oorlog zit, is je speelruimte meer
beperkt, denk ik.
Je hoofdpersonage, Ksaveri Ignatz, combineert uitzonderlijke bezigheden. Hij is psychiater, jezuďet en geheim agent. Hoe kwam je tot deze mix?
Geheim agent ligt voor de
hand. Ik wilde misdaadromans schrijven. Eén van mijn grote voorbeelden
is John Le Carré en daarom stond het vast dat mijn hoofdpersonage
een spion zou zijn. Psychiater is boeiend, zeker in die tijd dat Freud
en de psychoanalyse opgang maakten. En jezuďet, ja, dat is een heel
verhaal. Bij de vormgeving van Ksaveri kwam ‘jezuďet’ elke keer naar
boven in mijn gedachten. Ik wilde dat niet en heb geprobeerd om die
jezuďet weg te duwen, maar als schrijver weet je dat je dat soort
gedachten niet kunt negeren. Je moet er iets mee doen. Ik wijt het aan
mijn jeugd. Mijn vader was huisarts in een stad waar priesters hun
legerdienst moesten vervullen. Die soldatenpriesters hielden ervan om
bij ons lekker te komen eten en praten. Geestelijken van verschillende
ordes zaten dan bij ons in de huiskamer hevig te discussiëren. Als klein
meisje mocht ik daar bij zijn, op voorwaarde dat ik zweeg (lacht). Ik
weet nog dat ik tijdens die discussies dacht: ja, het klopt wat hij
zegt, om even later hetzelfde te denken bij een tegenargument. De angst
sloeg me om het hart: hoe moet ik mijzelf ooit een mening vormen?
Gelukkig kwam dat wel goed. Nu, de jezuďetenorde is veruit de
interessantste. Binnen deze orde heb je een grote verscheidenheid, van
extreem links tot extreem rechts. Jezuďeten vinden het hun plicht om
zichzelf te ontplooien, om extreem individueel bezig te zijn zodat ze
zich ten volle kunnen inzetten voor de gemeenschap. De trouw aan de
organisatie is ook immens. Al die spanningen en tegenstellingen, daar
kan je wat mee als schrijver. Eigenlijk zijn zowel psychiaters,
jezuďeten en geheim agenten meesters van de achterdocht. Ze houden ervan
te ontmaskeren en zoeken naar de verborgen waarheid, wat ideaal is voor
een nieuwsgierige misdaadschrijver.
Je verwijst naar Le Carré als een van je voorbeelden, laat ik nu de ontmoeting tussen Ksaveri en Fürstin Elisabeth von Thurn in jouw boek van een intensiteit en een schoonheid vinden, Le Carré waardig. Ksaveri leerde Elisabeth al in je debuut Duivels offer kennen. Vloekt zo’n verliefdheid niet met het jezuďet-zijn?
Als je naar de geschiedenis kijkt, dan zie je veel jezuďeten die een vrouw hadden in hun leven. Het kan gaan om een seksuele relatie, maar even goed om een zeer intense band. Wat Elisabeth von Thurn zo boeiend maakt, is dat ze de intellectueel gelijke is van Ksaveri. Ze zijn aan elkaar gewaagd en kunnen samen sparren. Ik weet nog niet of ze een duo gaan blijven. Ik heb al eens bedacht dat ik Elisabeth wat meer op de voorgrond zou kunnen plaatsen, maar eigenlijk kan dat niet, omdat de cyclus Ksaveri als hoofdpersonage heeft.
Dank je wel trouwens voor
dat mooie compliment. Dat maakt me erg blij.
In dit boek, Wrede schoonheid, draait het om een kunstenaar-lustmoordenaar. De schilderijen van Egon Schiele inspireren hem tot wrange exposities van zijn slachtoffers. Bij elke dode laat hij een kunstwerkje van de glaskunstenaars Blaschka na. Waarom koos je voor deze echt bestaande kunstenaars?
Dat heeft twee redenen. Als ik nu terugkijk naar mijn tweede Ignatzroman, Labyrint van de waan, dan ging het daarin om een extreme vorm van fundamentalisme. Ik had het geluk om een geheime groepering van katholieke fundamentalisten te vinden. Dat is interessant, maar tegelijk tamelijk ingewikkeld om in een roman te vertellen. Voor Wrede schoonheid wilde ik echt iets heel simpels vinden, ik wilde zo eenvoudig mogelijk schrijven. Van Jim Madison Davis - Amerikaans auteur, docent scenarioschrijver, Shakespearekenner en erudiet man die zeer prettig is in de omgang – kreeg ik een heel goed boek over plotten, over hoe je de plot van een verhaal vormgeeft. Hij zegt: ‘De plot is de architectuur van het boek’. Toen ik zijn boek las, wist ik dat ik veel meer tijd moest besteden aan de plot. Ik heb meer dan een half jaar gewerkt om die plot in elkaar te steken. Dat voel je aan Wrede schoonheid, het boek is organischer. Dat is echt een element, het plotten, waarin ik heb kunnen groeien.
In mijn zoektocht naar
iets eenvoudigs, iets rond één historische figuur, kwam ik Egon Schiele
tegen. Hij leefde in “mijn” tijd en kwam in opspraak door zijn erotische
werk. Dat lag niet aan het expliciete karakter ervan, maar wel omdat het
niet voldeed aan het schoonheidsideaal. Zijn figuren kijken je
rechtstreeks aan uit het schilderij. Hij schilderde confronterend,
knoken, dood en waanzin. Zijn werk speelt een spel met het publiek,
alsof het suggereert: ‘Kijk eens, je kunt je niet verschuilen achter
voyeurisme, je hebt je verantwoordelijkheid te nemen’. In onze tijd
zouden we zeggen: ‘Zijn werk is niet gefotoshopt’. Naast de gruwel wilde
ik iets van een etherische schoonheid toevoegen. Via een schitterende
voorstelling van muziektheater Walpurgis leerde ik het werk van de
glaskunstenaars Blaschka kennen. Ze maakten bloemen en weekdieren na in
glas. IJskoud maar o zo teer en mooi. Gruwel en schoonheid, de
tegenstelling die mijn seriemoordenaar kenmerkt.
Je vond inspiratie in een theatervoorstelling. Vind je ook inspiratie in het boek vol levenswijsheden van Balthasar Gracián, het boek waar Ksaveri zoveel energie en kracht uit put?
Wel, dat boekje van
Balthasar Gracián heb ik inderdaad altijd bij me. Het is een miniboekje,
maar alle driehonderd maximes staan er in. Ik wilde iets immaterieels
aan mijn hoofdpersonage koppelen. Veel hoofdpersonages hebben een
materiële eigenschap, Van In drinkt steeds Duvel en Hercule Poirot lurkt
aan zijn pijp. Het boek van Gracián past perfect bij Ksaveri, ook omdat
Gracián eveneens tot de jezuďetenorde behoorde. Gracián was heel erg
verknocht aan de orde, maar had er ook veel last mee. Graciáns
uitspraken zijn soms heel cryptisch, je gaat ze iedere keer op een
andere manier interpreteren, dat is wel prettig.
De recensies over Wrede schoonheid besteden veel aandacht aan je taalgebruik. Nu.nl schreef dat het lijkt alsof je een slijptol op je proza losliet, om exact de sfeer te bereiken die je wilde. Geert d’Hulster schreef in de krant dat je stijl steeds puurder wordt. Heb je een geheim voor pure taal?
Het geheim van pure taal?
Slijpen, slijpen, slijpen. Mijn grote voorbeelden zijn Elsschot
en Nescio, maar ook Louis Paul Boon, mensen die veel
aandacht hebben voor stijl. Ik kan je mijn manuscripten tonen, bij
Duivels offer schrapte ik veel minder dan bij Wrede schoonheid.
Ook daarin ben ik gegroeid. Je wordt veeleisender. Ik heb er ook geen
problemen mee om een hoofdstuk waar ik een maand aan werkte, verticaal
te klasseren. Gooi al het overbodige weg. Zei Elsschot niet “de
stijl is de mens”? Sommige schrijvers kunnen in twee pagina’s iemand
neerzetten met ieder woord op de juiste plaats. Ik kan zo genieten van
een goede stijl. Het tegenovergestelde, een slecht geschreven boek,
maakt me onpasselijk. Daar raak ik niet door. Hoe spannend ook, als het
slecht geschreven is, dan knap ik er op af. Ik kan dan niet meer
onbevangen lezen. Gelukkig is Ad van den Kieboom een uitstekende
redacteur die me helpt en steunt om trouw te blijven aan mijn stijl.
Gelukkig heb je je muze in huis, je man René Broens, aan wie je je boek opdraagt. Volgens de opdracht daagt hij je uit om de grenzen van je schrijverschap te verleggen.
We zitten vaak samen te
werken, ik hier op mijn werkkamer en hij nog een verdieping hoger op
zijn werkkamer. Het is voor ons een echt boekenjaar. Wrede schoonheid
is verschenen en binnenkort verschijnt René’s nieuwe vertaling van het
epos van Reynaert de vos. Samen met Marc Legendre maakte hij een
graphic novel. Het fijne is dat we niet in concurrentie staan. Ik leer
van hem mijn schrijverschap te bekijken vanuit de analyse van een
meesterwerk, hij bekijkt zijn vertaling vanuit het oogpunt van een
schrijver. Het is zo prettig. Vooral als ik hem hoor roepen: ‘Mieke, ik
denk dat ik een historische ontdekking gedaan heb.’ Onze samenwerking is
vruchtbaar. We zijn erg trots op elkaar.
Foto: Liesbeth Kuipers
Wrede schoonheid
Auteur: Mieke de Loof
Uitgeverij De Geus
ISBN: 978 90 445 1558 9
Gebonden
Prijs: €17.90
Verschenen: april 2010

Wenen 1914. In de gangen van de wereldvermaarde faculteit geneeskunde
botst Ksaveri Ignatz, voor de buitenwereld psychiater maar in feite
jezuďet en geheim agent, op zijn oud-professor seksuologie Von Graff, en
hij aanvaardt zijn uitnodiging om samen te gaan lunchen. De volgende dag
wordt de professor vermoord teruggevonden. De laatste die hem levend
gezien heeft, is de omstreden Weense schilder Egon Schiele.
Kort daarna deelt Ignatz’ vriendin Elisabeth hem in vertrouwen mee dat ze door een procureur-generaal is benaderd om samen een serie gruwelijke moorden op jonge meisjes op te helderen. De meisjes zijn gevonden in houdingen die verwijzen naar schilderijen van Schiele. Alles wijst erop dat hun moordenaar ook Von Graff heeft omgebracht.
Ignatz en Elisabeth gaan als bloedhonden achter de kunstenaar-lustmoordenaar aan. Al vlug worden ze echter zelf opgejaagd wild.
Wil je reageren op dit interview?
Dat kan op het forum van Ezzulia, waar een apart topic is aangemaakt
voor de discussie over dit interview met - en de boeken van - Mieke de Loof.
Kijk
hiervoor op ons boekenforum.
Interviews
Op Ezzulia staan veel interviews en iedere week komen daar weer nieuwe bij. Kijk hier voor het overzicht van Kort & Krachtig en hier voor de grotere interviews.



