Skip to: site menu | section menu | main content

 

Currently viewing: www.ezzulia.nl » Grote Interviews





































































































 

 

 


 


 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Ezzulia interview
Jim Kelly

Door Jessie van Loon | Ezzulia.nl
 


8 augustus 2009 | Zijn eerste twee detectiveverhalen rond journalist Philip Dryden schreef Jim Kelly in de trein van en naar Londen, waar hij als verslaggever bij de Financial Times werkte. De boeken, die overigens niet in het Nederlands zijn vertaald, waren in Engeland zo’n succes, dat Jim Kelly een vast contract kreeg bij de uitgever en zijn baan kon opzeggen om zich helemaal op het schrijven te storten.

Na vijf Philip Dryden-mysteries begon Kelly aan een nieuwe serie en onlangs verscheen het eerste deel daarvan in vertaling, getiteld De dood ging in wit gekleed. Een gesprek hierover met de schrijver gaat al snel over zijn schrijverschap en zijn inspiratiebronnen.
 


"De meeste lezers zijn slimmer dan ik"


Engelse lezers kennen u van de vijf Philip Dryden mysteries die u schreef vóór het recent verschenen De dood ging in wit gekleed, maar voor de Nederlandse lezer bent u nieuw. Kunt u kort iets vertellen over uzelf?

Ik ben geboren in 1957, in Londen, als derde zoon van een rechercheur van Scotland Yard. Ik heb in Londen op school gezeten, en ben vervolgens gaan studeren aan de universiteit van Sheffield, in het industriële noorden van Engeland. Mijn eerste baan als journalist was bij een kleine krant in een plaatsje even buiten Londen. Daarna kwam ik terecht bij een dagblad in York, en ten slotte in Londen als redacteur onderwijs bij de Financial Times, de krant die bekendstaat om z’n roze papier. Na een jaar of acht, negen ben ik uit de stad weggegaan en verhuisd naar 'The Fens', een uitgestrekt, laaggelegen gebied ten oosten van Londen. Het is een voormalig moerasgebied, dat in de zeventiende eeuw is drooggelegd door Cornelius Vermuylen, een Nederlandse waterbouwkundige (het landschap zal Nederlandse bezoekers vermoedelijk erg doen denken aan hun eigen omgeving!). Tegenwoordig woon ik, samen met mijn vrouw Midge, historica en schrijfster, en ons dochtertje Rosa in Ely. Het is, met zijn hooguit 20.000 inwoners, misschien wel het kleinste stadje van Engeland. Het stadje ligt op een van de vroegere 'eilanden' in The Fens temidden van het zwarte laagveen en staat bekend om zijn kathedraal.
 

En een aantal jaar geleden hebt u een carrièreswitch gemaakt en bent u schrijver geworden...

Ja, ik heb altijd al een detectiveroman willen schrijven en in de onderste la van mijn bureau liggen zeker twee of drie mislukte probeersels. Maar na mijn verhuizing naar Ely ontdekte ik al snel dat ik de ideale locatie voor een speurdersverhaal had gevonden. Ik schreef het eerste boek, net als het tweede trouwens, in de trein van Ely naar Londen, onderweg naar het kantoor van de Financial Times. Omdat je altijd moet beginnen met te schrijven over dingen die je kent, heb ik van mijn eerste speurder, Philip Dryden, een journalist van een lokale krant gemaakt. Toen ik eenmaal een contract bij een grote uitgeverij had, heb ik mijn baan opgezegd en ben fulltime gaan schrijven.
 

In Engeland deed de serie met in de hoofdrol journalist Philip Dryden het erg goed. Waarom hebt u deze succesformule losgelaten?

Ik heb Philip Dryden niet voorgoed opgegeven, hoor. Maar na vijf boeken werd het tijd voor iets anders, en ik had het gevoel dat het voor de hoofdpersonen niet slecht zou zijn als ik ze een paar jaar zou laten 'rijpen'. Ik denk dat Drydens gevoelsleven een kritiek punt had bereikt. Zijn vrouw Laura was herstellende na een tijdje in coma gelegen te hebben als gevolg van een auto-ongeluk. Hij wilde meer tijd voor haar vrijmaken; daarvoor moest hij zijn manier van leven aanpassen en verder kijken dan het kleine wereldje dat hij in Ely voor zichzelf gecreëerd had, zodat hij bij haar in de buurt kon zijn terwijl zij in het ziekenhuis lag. Het leek mij wel aardig om hem deze crisis als het ware in alle rust alleen te laten doormaken en dan later bij hem terug te keren om te zien wat er van hem geworden is.
 

In De dood ging in wit gekleed maken we kennis met het speurdersduo Peter Shaw en George Valentine. Waarom bent u gaan schrijven vanuit ‘de kant van de recherche’?

Kijk, een boek schrijven met een amateur-detective in de hoofdrol is allesbehalve eenvoudig, want je moet eigenlijk twee plots verzinnen: een ‘hoofdplot’ zeg maar, en een tweede plot waarin je uitlegt waarom de politie er maar niet in slaagt de eerste plot te ontrafelen. Als je het speurderswerk in je boek gewoon overlaat aan de politie, ligt dat anders.
 

Maar is het voor een schrijver niet gemakkelijker om zich in te leven in een journalist dan in een politieman?

Ik was in mijn tijd als verslaggever natuurlijk al het nodige over misdaad en wat daarmee samenhangt te weten gekomen. En journalisten en rechercheurs hebben trouwens veel gemeen. Dat merkte ik ook in de gesprekken die ik met mijn vader, Det Chief Superintendent Brian Kelly, had over zijn werk. Ik hoop dan ook dat in mijn nieuwe boeken de instelling van politiemensen en de geest van het recherchewerk op een realistische manier naar voren komen, zonder dat ik me verlies in al te gedetailleerde onderzoeksprocedures.
U hebt veel gehad aan de gesprekken met uw vader.

Jazeker. Ik ben erg trots op hem. Zoals je weet, onderzoeken de mensen van ‘The Yard’ de ernstigste misdrijven in het land. Hier werken dan ook alleen de best opgeleide speurders. Mijn vader is in de jaren tachtig overleden, maar ik heb altijd graag een boek willen schrijven met een politieman in de hoofdrol. Dat is Peter Shaw geworden. Hij is niet mijn vader, maar ik heb hem wel een stuk of wat van zijn goeie eigenschappen gegeven.
 

Veel schrijvers nemen in hun boek een disclaimer op dat alle ogenschijnlijke overeenkomsten met de werkelijkheid op toeval berusten. U benadrukt hier nog eens dat Peter Shaw niet uw vader is, en in de dankbetuiging van De dood ging in wit gekleed staat: ‘… ik wil er speciaal op wijzen dat het politiekorps West Norfolk niet bestaat’. Maar u schrijft fictie, dus waarom verantwoordt u zich zo uitgebreid?

Ik heb het idee dat niemand het erg vindt wanneer je, als je fictie schrijft, bepaalde personages verzint, dus inderdaad, waarom zou je ook geen locaties verzinnen? Maar zoals de personages gebaseerd zijn op levende mensen, zijn de locaties ook geënt op bestaande landschappen. Fictie is immers altijd een subtiele mengeling van werkelijkheid en verbeelding; de werkelijkheid dient als uitgangspunt van waaruit je de lezer meevoert naar een speciale plek in je hoofd. De landschappen in mijn boeken zijn vaak voor een deel verzonnen, maar ik hoop wel dat ze de sfeer van een bepaalde plek precies weergeven. Waar het mij steeds weer om gaat is de kern van bepaalde zaken weer te geven. Ik bedien me daarbij vaak van niet-bestaande organisaties, zoals het politiekorps van West Norfolk, om te voorkomen dat ik mensen onbedoeld in diskrediet breng. Je kunt de processen wegens smaad altijd maar het beste vóór zijn…
 

Uit de dankbetuiging blijkt verder dat u uitgebreid research hebt gedaan, en dat is ook te merken aan bijvoorbeeld de wetenschappelijke onderbouwing van het recherchewerk waar Peter Shaw het vaak over heeft. Kunt u aangeven wat bij u de verhouding is tussen research en schrijven?

Het is toch hoofdzakelijk een kwestie van schrijven. Colin Dexter, de auteur van de schitterende boeken over inspecteur Morse, zei altijd dat hij nooit research deed. Als hij iets moest beschrijven waar hij geen verstand van had, bijvoorbeeld de manier waarop een dactyloscopist vingerafdrukken neemt, verzon hij dat in eerste instantie gewoon. Pas als hij het boek af had, controleerde hij of hij het bij het rechte eind had. Anders loop je, volgens hem, de kans dat je al je tijd verdoet met ‘lekker research plegen’, terwijl je zou moeten zitten schrijven. Ik denk dat hij in grote lijnen gelijk heeft. Ik doe het als volgt: ik kies een onderwerp, bijvoorbeeld de handel in illegale diersoorten, en lees daar dan zoveel mogelijk over in mijn vrije tijd. Op die manier kom je spelenderwijs van alles aan de weet, en dat is vaak veel interessanter dan aan research ontleende feiten. En de lezer merkt ogenblikkelijk het verschil.
 

Ik blijf even bij die dankbetuiging, want het lijkt me voor een schrijver niet altijd makkelijk om een relatie te hebben met iemand die ook schrijft. Maar u bedankt uw vrouw, Midge Gillies, juist voor haar “maatgevende tips over het ontrafelen van knopen in de plot”.

Er zijn maar twee manieren om met een andere schrijver samen te leven: óf je praat helemaal niet over elkaars werk, óf je bent er volstrekt eerlijk over. Wij hebben voor de tweede manier gekozen. Ik lees meestal de eerste versie van wat Midge schrijft en vind het leuk om met haar te praten over de achterliggende ideeën en de manieren waarop ze gegevens over het verleden probeert te verzamelen. Wat betreft mijn eigen werk bespreek ik vaak met haar problemen met de plot en de personages, en haar adviezen zijn altijd heel waardevol en oprecht. Ze leest echter nooit mijn eerste versies, maar geeft commentaar op de afgeronde manuscripten.

Het landkaartje waarmee het boek opent is erg handig. Ik heb regelmatig teruggebladerd en zitten kijken of ik de speurders een stapje voor kon zijn − het eeuwige spelletje tussen lezer en auteur, vermoed ik. Als ik bedenk uit hoeveel puzzelstukjes dit boek bestaat, kan ik me voorstellen dat uw tafel tijdens het schrijven bezaaid ligt met schetsen en tijdschema’s om te voorkomen dat getuigen elkaar op de verkeerde momenten tegenspreken en om losse eindjes te voorkomen.

Voor de plot heb ik echt allerlei soorten geheugensteuntjes nodig. Mijn vrouw heeft een van de muren van mijn werkkamer met schoolbordverf zwart geschilderd en daar schrijf ik vaak met krijt van alles op. Verder maak ik allerlei aantekeningen in een apart notitieboekje. En aan de wanden van mijn schrijfhut − die ligt helemaal buitenaf, in een soort volkstuin − wemelt het van de spiekbriefjes die ik daar met een punaise ophang. Maar het meest heb ik aan mijn kaarten en plattegronden. Ik ben dol op kaarten en ben, ook doordat ik geografie heb gestudeerd, erg ruimtelijk ingesteld; het helpt ontzettend als ik me de handelingen op een plat vel papier kan voorstellen.
 

Dus voordat u begint met schrijven hebt u de hele plot én alle subplots al schematisch op papier staan.

Ik werk inderdaad de plots altijd van tevoren helemaal uit, maar toch wijken ze op de een of andere manier altijd af van de uiteindelijke plots. Een plot verandert ook voortdurend, wat inhoudt dat ik élke keer álle plots weer moet bijstellen; uiteindelijk gaat het om zoveel details dat het gewoon niet meer in schema te brengen is, en dan moet het allemaal maar in mijn hoofd zitten. Dat kan je flinke hoofdpijn bezorgen. Het ergste vind ik wanneer een redacteur vragen heeft over de plot en ik me niet meer kan herinneren waarom ik iets gedaan heb zoals ik het gedaan heb. Je moet gewoon vertrouwen in jezelf hebben en ervan uitgaan dat je wel degelijk een goeie reden had, wat die reden ook geweest mag zijn.
 

Wat is uw favoriete fase van het schrijfproces?

Het oppoetsen van een manuscript als ik eenmaal weet dat de plot werkt en dat mijn agent en redacteur er blij mee zijn. Dat is echt een feest, omdat je weet dat het allermoeilijkste erop zit en dat het nu alleen nog maar gaat om de finishing touch.
 

Sommige thrillers zijn puzzels die, bij wijze van spreken, uit 36 stukjes bestaan. De dood ging in wit gekleed heeft minstens het dubbele aantal. Houdt u ervan het uzelf flink moeilijk te maken?

Ja, ik heb eerlijk gezegd de neiging de uitdaging voor mezelf zo groot mogelijk te maken, en de lezer daarbij enigszins uit het oog te verliezen: niet iedereen houdt van een puzzel van duizend stukjes. Daarom probeer ik altijd, als ik een boek af heb, de plot enigszins te vereenvoudigen, zodat het verhaal toegankelijk blijft. Maar ik ga er wel prat op dat mijn boeken weliswaar ingewikkeld in elkaar steken, maar op de meeste niveaus wel degelijk ‘werken’. En dat is van groot belang, want de meeste lezers zijn slimmer dan ik.
 

Met De dood ging in wit gekleed hebt u een soort gesloten-kamermysterie neergezet en schaart u zich in een lange rij traditionele schrijvers van Agatha Christie (Murder on the Oriënt Express) tot John Dickson Carr (The Hollow Man) en Ellery Queen (The Greek Coffin Mysterie). Bent u het daarmee eens of is dit een foutieve typering van uw boek?

Nee, nee. Ik ben dol op gesloten-kamermysteries en dit is er beslist eentje. Ik vind alleen dat veel van de verhalen uit de bloeiperiode van de detectiveroman, grofweg de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, een volstrekt onwaarschijnlijke oplossing hebben voor het door de afgesloten kamer gegenereerde raadsel. Ik heb met De dood ging in wit gekleed geprobeerd het genre een beetje te moderniseren, omdat ik ervan overtuigd ben dat lezers van nu geen genoegen meer nemen met doorzichtige spiegels, plotseling opduikende eeneiige drielingen, geheime gangen en soortgelijke trucs die soms werden gebruikt. Ik wilde een raadsel met een simpele oplossing.
 

Welke schrijvers inspireren u in het genre waarin u schrijft?

In de eerste plaats Dorothy L. Sayers. Verder houd ik erg van de boeken van Sébastien Japristot. Maar ik probeer zo weinig mogelijk andere misdaadauteurs te lezen, omdat ik bang ben voor stilistische beïnvloeding.
 

Welke niet-misdaadschrijvers leest u graag?

Ik moet bekennen dat ik op dit moment vooral veel voorlees aan mijn dochtertje van negen. We zijn nu bezig met Schateiland. Daarnaast lees ik boeken over geschiedenis; ik doe een poging de biografieën te lezen van elke koning of koningin die Engeland gehad heeft, van 1066 tot en met Victoria. Daar ben ik nog wel de nodige jaren zoet mee, denk ik zo.
 

Hoe ver bent u inmiddels met het tweede deel van deze reeks? Kunt u een tipje van de sluier oplichten met betrekking tot het volgende mysterie waar Peter Shaw en George Valentine voor komen te staan?

Ik heb net het tweede deel van de reeks afgerond: het heet Death Watch. Ik denk dat het wat duisterder is dan het eerste boek. Het verhaal speelt zich ook veel meer af in de stad. Het draait allemaal om een stroomstoring; die wordt gebruikt om, in het donker, allerlei oude rekeningen te vereffenen. Ik ben er erg tevreden over en ik hoop dat de mensen die van De dood ging in wit gekleed hebben genoten ook door dit boek zullen worden gegrepen. Het overkoepelende verhaal dat in het eerste deel begint, wordt in dit deel voortgezet. Dat betekent dat de verhouding tussen Shaw en Valentine zich een stuk verder ontwikkelt. Ik zou bij dit boek niet willen spreken van een gesloten-kamermysterie, maar het zit wel vol met uiterst intrigerende raadsels.

 

Foto's: met dank aan uitgeverij De Fontein

 


De dood ging in wit gekleed
Auteur: Jim Kelly
Oorspronkelijke titel: Death wore white
Uitgeverij De Fontein
ISBN: 978 90 261 2607 9
Paperback
Prijs: 17,95
Verschenen: juni 2009

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De rij van acht auto’s leek gemodelleerd van suikerglazuur, een schitterende maquette op een onaangeroerde bruidstaart. De maan was opgekomen boven het tafereel, de sneeuwwolken waren na een laatste heftige bui overgewaaid en de sterren strekten zich boven zee uit naar het noorden, naar de verre pool. De moeras­vogels zwegen, de sluizen werden geblokkeerd door ijs en nu de vloed voorbij was, trippelde de zee terug over het zand. Dichter bij de gestrande auto’s klonken geluiden van leven: een basklank, flarden muziek, het grommen van automotoren die verwarmings­systemen aandreven. In de pick-up die vooraan stond, klonk nu de lokale radiozender, een grillige, blikkerige melodie die op en neer deinde met het zendsignaal. 

Norfolk, Engeland. In een sneeuwstorm stranden acht auto’s op een afgelegen kustweg wanneer er een boom over de weg valt. Harvey Ellis is een van de bestuurders. Inmiddels is de storm zo hevig en ligt er zoveel sneeuw dat omkeren niet meer mogelijk is, en dus zit er voor de automobilisten niets anders op dan te wachten op hulp. Als drie uur later de rechercheurs Shaw en Valentine poolshoogte komen nemen, treffen ze Harvey Ellis dood achter het stuur aan; hij is met een priem door zijn oog gestoken. Er wordt geen enkel spoor aangetroffen – de moordenaar lijkt de perfecte misdaad te hebben gepleegd. Een van de acht andere automobilisten moet het gedaan hebben, althans, dat lijkt de voor de hand liggende conclusie…

Dan spoelt er een lijk aan op het nabijgelegen strand, en alhoewel het op het eerste gezicht een op zichzelf staand geval lijkt, blijkt algauw dat er een link is tussen de twee zaken. Voor Shaw en Valentine is dit het begin van een uiterst complex onderzoek, zeker als het niet bij twee doden blijft…


Kijk voor meer over Jim Kelly op de Boekenplank

 


Wil je reageren op dit interview?

Dat kan op het forum van Ezzulia, waar een apart topic is aangemaakt voor de discussie over dit interview met - en de boeken van - Jim Kelly.

Kijk hiervoor op ons boekenforum.

 


Interviews

Op Ezzulia staan veel interviews en iedere week komen daar weer nieuwe bij. Kijk hier voor het overzicht van Kort & Krachtig en hier voor de grotere interviews.

 


 

 

Terug naar boven