Doffe dreun
Door John Brosens
Op verzoek van Eezee Media/Onwijs, een klein bureau dat educatieve
projecten ontwikkelt, werk ik mee aan ‘Schatverhalen’, een samenwerkingsproject
van vrijwel alle musea op Walcheren — en dat zijn er heel wat. Met het diepere
doel is niets mis: ‘Schatverhalen’ probeert de collecties van de musea
toegankelijker te maken voor de schooljeugd, met name de leerlingen uit de
midden- en bovenbouw van het basisonderwijs. Voor elk afzonderlijk museum tekent
Koert Stavenuiter een uniek stripverhaal van vier kantjes en er zijn handige
‘kijkwijzers’ waarmee kinderen op zoek naar schatten gaan. Mijn aandeel bestaat
uit al even unieke ‘voorleesverhalen’ ter algemene ondersteuning.
Laat ik vooraf duidelijk stellen dat het met mijn betrokkenheid wel goed zit: ik
ben op Walcheren geboren en getogen. Tot mijn dertiende heb ik alle uithoeken
van mijn geboorteplaats Vlissingen verkend en onveilig gemaakt en daarna, tot ik
een jaar of achttien was, heb ik de rest van dit schitterend schiereiland aan
mijn exploratiedrang onderworpen.
Van sommige musea wist ik dus al dat ze bestonden. Mijn bezoeken aan de Schotse
Huizen in Veere, het Maritiem Zeeuws MuZEEum in Vlissingen en Terra Maris in
Oostkapelle vormden een hernieuwde kennismaking. Andere musea leverden aangename
verrassingen op. Het Marie Tak van Poortvlietmuseum in Domburg, het Bunkermuseum
in Zoutelande en de Historische Scheepswerf Meerman te Arnemuiden — met het
schaamrood op de kaken moet ik bekennen dat ik er nog nooit van had gehoord.
Voor ik achter mijn tekstverwerker kruip ga ik erheen, op zoek naar een voorwerp
of afbeelding waar ik mijn voorleesverhaal aan kan ophangen. Zo ook in
Westkapelle, waar Het Polderhuis staat, een museum waarin de geschiedenis van
het dijken bouwen centraal staat, samen met het bombardement in 1944
waardoor heel Walcheren onder water kwam te staan. Ik had het object voor een
verhaal snel gevonden: een schilderij van de ooit op de zeedijk gestrande
klipper City of Benares, geschilderd op het canvas van een der
aangespoelde zeilen.
Het was bij het betreden van het achterste gedeelte van het museum dat ik een
doffe dreun kreeg, een bijna knock-out ervaring. Een tomeloze herbelevingsklap
die mij terugmepte naar de tijd dat ik een jongetje van een jaar of acht was.
Groengeverfde noodwoningen, in lange rijen neergezet om de teruggekeerde
inwoners van een platgebombardeerde stad te huisvesten. In Vlissingen was er na
de tweede wereldoorlog geen ruit meer heel en geen dak onbeschadigd. De stad is
in november 1944 door Engelsen, Fransen en Schotten bevrijd, na gevechten van
huis tot huis, van straat tot straat, van plein tot plein. Zoiets laat sporen
na. En puinhopen. Mijn ouders kregen zo’n groene noodwoning toegewezen, vlakbij
Het Kanaal, en daar ben ik in de vijftiger jaren opgegroeid.
En hier, in het Polderhuis te Westkapelle, stond er zo een.
Puntgaaf, in exact dezelfde groene kleur. Van binnen dezelfde beige deuren,
eenzelfde potkachel centraal in het huiskamertje, één kraan voor leidingwater
boven een granieten aanrecht met twee Bruynzeelkastjes, een luidspreker met
zwartbakelieten draaiknop voor radiodistributie aan de wand.
Ik was verbijsterd. Opeens rook ik weer het wasgoed dat op regenachtige dagen
binnen te drogen hing, hoorde ik het geluid van de wringer waar wasgoed doorheen
geperst werd. Het gepruttel van een weckketel op een petroleumstel. De geur van
natte kaplaarzen in de bijkeuken. Gekletter van de regen op het dunne dak. Het
geluid van klotsend water in een zinken teil, waarin je eenmaal per week werd
schoongeboend en je moeder het badwater aanvulde uit een ketel warm water die op
de kachel gereed stond.
Ik was dat allemaal kwijt. Vergeten. Gewoon, omdat het leven voortschrijdt en je
het verleden achter je laat. Een natuurlijk proces, waarin de afstand tot je
jeugd steeds groter groeit en fragmenten uit die tijd spoorloos verdwijnen. Tot
ze je opeens recht in de ogen kijken, op een onverwacht moment in een museum. En
het merkwaardige is dat het niet alleen visueel is. De beleving dient zich full
colour aan, compleet met geuren, geluiden en gevoelens. Is de dreun daardoor zo
groot? Er zijn honderden herinneringen die die ik actief koester. Die houd ik
zelf in stand en daardoor zijn ze waarschijnlijk niet zo hevig. Mijn geheugen
werkt selectief. Heb ik daar invloed op? Hoe zit dat met die memories die
door een onverwachte trigger boven komen? Waar is die heftigheid voor nodig? Hoe
bestaat het dat die popups zo fel, glashelder en puntgaaf uit het niets
bovenkomen, met de snelheid van een flitser op een camera?
Het betreden van een groene noodwoning in Het Polderhuis in Westkapelle zette
mij in een onderdeel van een seconde op het verkeerde been. Maar daardoor heb ik
wel ongeveer een week scheef gelopen, bij wijze van spreken.
Zondag 15 maart 20098.
John Brosens (1946) is auteur
van thrillers en jeugdboeken. Daarnaast schrijft hij onder het pseudoniem
Adriaan Broos ook gedichten. Zijn eerste thriller, Jacht op de Jager,
verscheen in 2004 bij uitgeverij Ellessy. Zijn vijfde thriller, Het Spoor van de Pandora,
is onlangs verschenen.
Heb je een mening over deze column?
Op het forum van Ezzulia is een topic over deze column van John Brosens. Geef daar je mening of discussieer met andere bezoekers van Ezzulia.
Kijk hier voor het speciale topic.
Meer columns? Kijk dan hier.




