Concurrent of collega
Door John Brosens
Een tijdje geleden had ik een afspraak met een journaliste van een regionale
krant. We kennen elkaar inmiddels redelijk goed — als ik iets te melden heb komt
ze langs en steeds blijkt dat ze de volgende donderdag trouw een blokje kopij
over me heeft geplaatst. Ze maakt altijd een foto, maar die staat er alleen bij
als er plaats is. Ook een regioblad stelt prioriteiten. Ze is mijn boeken
goedgezind, en dat zet ik hier niet zonder reden. De dame schrijft dus voor haar
dagelijks brood, maar is wel degelijk op zoek naar wat extra beleg: ze heeft
drie nog niet uitgegeven manuscripten, waarvan één thriller, en daarover wilde
ze mijn advies. Daar voelde ik weinig voor, dus ik begon al ‘nee’ te schudden.
Ik heb er geen bezwaar tegen om adviezen te geven, maar voor het kritisch
bekijken van een manuscript ben ik niet in de wieg gelegd. Ik ben schrijver en
het redigeren van nieuwe producties is een heel ander vak. Dan moet je streng
zijn en die journaliste is veel te aardig om streng tegen te doen. Ze haastte
zich mij gerust te stellen. Het ging niet om een oordeel over de inhoud. Dat zat
wel goed. Nee, voor haar was de vraag: hoe leg ik contact met een uitgever. Ze
had allang gehoord dat spontaan ingestuurd werk weinig kans maakt. Het gaat er
om dat je er binnen raakt, dat je een ingang hebt via iemand die zo’n uitgever
kent, en het liefst persoonlijk. Netwerken, dus.
Dat was uiteraard een inkoppertje. Wat let mij om een bevriende journaliste bij
mijn eigen uitgever aan te bevelen? Het kost me een telefoontje of mailtje, meer
niet.
Ze was in de wolken met mijn toezegging en nodigde me als tegenprestatie
spontaan uit de volgende zondag mee te gaan naar een literaire middag in Leiden.
Een schrijvende vriendin van haar had een aanmoedigingsprijs in de wacht
gesleept en dat werd gevierd. Een feestje! Er was een kroeg afgehuurd en
‘iedereen’ zou er zijn. Zo’n bijeenkomst was een uitgezochte gelegenheid om
collega-auteurs te ontmoeten en met hen over allerlei onderwerpen van gedachten
te wisselen, beweerde ze.
Ik geloofde haar, zei ja en dat bleek een domme zet. Ik had die middag gewoon
thuis moeten blijven en achter de tekstverwerker plaats moeten nemen. Mijn enige
toetssteen waar het collega-auteurs betreft is het GNM, voluit het Genootschap
van Nederlandstalige Misdaadauteurs. Goed honderd leden, vrouwen en mannen, die
elkaar een paar keer per jaar ontmoeten bij een toepasselijk ‘mystery dinner’ en
bij excursies die met onze onderwerpen te maken hebben. We bezoeken rechtbanken,
recherchebureaus, gluren mee naar het snijwerk in de keuken van forensische
instituten en krijgen gastlessen van vuurwapenexperts. De sfeer is er altijd
gemoedelijk. We gaan joviaal met elkaar om, wisselen tips en ervaringen uit,
roddelen en netwerken wat en we lachen om elkaars grappen. Er is een gevoel van
saamhorigheid. Iedereen neemt overal gelijkwaardig aan deel en het maakt geen
verschil of je in de Bruna Top Tien staat, nominaties voor de Gouden Strop hebt
gescoord of vijf thrillers hebt geschreven die het grote publiek nog steeds
ontgaan.
Hoe anders ging het in Leiden. We reden er samen heen en onderweg raakte mijn
journalistieke vriendin maar niet uitgepraat over haar hoge verwachtingen van
deze middag.
We tekenden het gastenboek als twaalfde en dertiende. Er waren achttien
personen, net zo veel heren als dames; ik heb ze geteld. De meeste feestgangers
kwamen binnen in een uitbundige outfit met lange sjaals, donkere hoeden, lange
jurken met boa’s, waardoor ik onvermijdelijk aan de bekende poster van Toulouse
Lautrec moest denken. Het feestvarken werd gefeliciteerd en kreeg een fles
champagne, die natuurlijk direct moest knallen. Ik werd nieuwsgierig bekeken en
raakte gemakkelijk met iedereen in gesprek, maar dat veranderde zodra het in het
gezelschap begon rond te zoemen dat ik thrillers schreef. Daarop nam de
belangstelling voor deze nieuwkomer zienderogen af. Sterker nog: elk gesprek dat
ik probeerde aan te gaan, bloedde dood. Op een gegeven ogenblik kwam er toch
iemand op me af, een man met veel wit haar en een imposante snor. Hij
informeerde naar mijn naam. Ik gaf netjes antwoord. Tot mijn verbijstering was
de reactie: “Goh. Nóóit van gehoord!” En vervolgens liep hij met een grijns bij
me vandaan.
Ik voelde me een vreemde eend in de bijt. De bevriende journaliste had het
echter zeer naar haar zin, dus een snelle aftocht zat er niet in. Ik besloot
mijn bijdrage aan de middag dan maar te beperken tot observeren.
Het werd me snel duidelijk dat er hier geen tips en ervaringen werden
uitgewisseld en dat er al evenmin sprake was van een joviale omgang. Roddelen
deden ze wel. En grappen vertellen, vooral ten koste van een ander. Veel
feestgangers bleken de gesprekstechniek van de omkeerbaarheid perfect te
beheersen: zodra iemand iets leuks of aardigs over een eigen boek of verhaal
naar voren bracht, draaiden ze het om. Ja, zoiets hadden ze ook al eens aan de
hand gehad, maar dan erger. Of mooier, net wat het beste uitkwam. Elke bijdrage
van een gesprekspartner bleek een trigger om een lofzang op de eigen literaire
kwaliteiten op te starten. Achttien schrijvers bij elkaar, achttien vijanden.
Dit was geen feestje. Dit was een stadsguerrilla.
Ik pakte het gastenboek op en nam alle namen door. Die van mijn medereizigster
was de enige die ik kende. Ik ben naar buiten gewandeld en zag een bankje aan de
overkant van de straat. Daar heb ik op haar gewacht.
Op de terugweg informeerde ik of dit soort feestjes altijd zo werden gedomineerd
door een sfeer van haat en nijd. “Nou,” zei ze verbaasd, “dat viel toch wel mee?
Ik heb me best geamuseerd, hoor. Je moet wel in aanmerking nemen dat dit een
gezelschap was van louter schrijvers. En hoe bevriend ze ook met elkaar zijn, ze
zijn wel elkaars concurrent. Snap je?”
Ik deed er verbaasd het zwijgen toe, want snappen deed ik het hoegenaamd niet.
“Verklaar je nader,” zei ik.
“Geld,” zei ze. “In deze wereld draait alles om de poen.”
“Ja. En?”
“Het literaire wereldje blijft overeind bij de gratie van subsidie. Mijn
vriendin scoort een aanmoedigingsprijs waar een leuke bonus aan vast zit. En dus
hebben al haar literaire vriendjes er de pest in.”
Ik zei dat ik het begreep, maar dat was een leugentje. Op dat moment nam ik me
heilig voor gewoon spannende verhalen te blijven schrijven, zodat ik ook gewoon
joviaal met mijn collega’s om kan blijven gaan. Ik heb voorlopig de buik vol van
alles wat van het labeltje ‘literair’ wordt voorzien. Er zal van mij dus nooit
een boek verschijnen waar de uitgever in vette letters de wervende term
‘literaire thriller’ op heeft laten zetten.
Tenzij ik daar een leuk subsidietje voor krijg, natuurlijk.
Zondag 30 november 2008.
John Brosens (1946) is auteur
van thrillers en jeugdboeken. Daarnaast schrijft hij onder het pseudoniem
Adriaan Broos ook gedichten. Zijn eerste thriller, Jacht op de Jager,
verscheen in 2004 bij uitgeverij Ellessy. Zijn vijfde thriller, Het Spoor van de Pandora,
is onlangs verschenen.
Heb je een mening over deze column?
Op het forum van Ezzulia is een topic over deze column van John Brosens. Geef daar je mening of discussieer met andere bezoekers van Ezzulia.
Kijk hier voor het speciale topic.
Meer columns? Kijk dan hier.




