Zestiger zonder haast
Door John Brosens
Ieder kind krijgt de vraag voorgeschoteld: wat wil jij later worden?
Tot ik een jaar of vijftien was, hoefde ik geen seconde na te denken:
schrijver.
Bij mijn ouders thuis werd veel gelezen: boeken, kranten en populaire
tijdschriften. Ik stam uit een milieu dat het begrip ARBEID hoog in het vaandel
voerde. Hoewel ik mijn verhalen in dikke schriften met harde kaften schreef,
schoven zij alles met een milde glimlach terzijde. Spielerei. Aardig dat
zo'n jongen niet alleen leest, maar ook nog schrijft. Helaas, met een pen valt
nu eenmaal geen droog brood te verdienen. Ik ging ervan uit dat ze het gelijk
aan hun kant hadden. Dat ging toen nog zo. Het was aan het eind van de vijftiger
jaren. Er was radio, één televisienet en je ouders hadden 't voor het zeggen.
Maar er kriebelde wel iets.
Op de mulo en 'de kweek' bleven mijn schrijfproducten beperkt tot onuitgewerkte
ideeën, onvolwassen gedichten en onvoltooide manuscripten. Halverwege de
sixties had je het als teenager immers erg druk. Maakt niet uit,
dacht ik. Straks, als het eindexamen achter de rug is, sta ik op een lagere
school voor mijn eigen klas. Dan vind ik tijd genoeg om er eens ECHT SERIEUS aan
te beginnen. Dan gaat dat gekriebel wel over.
Het bleek een totale misvatting. Wie een baan in het onderwijs serieus neemt, is
zestig tot zeventig uur per week met z'n werk bezig. Tel daar een jong gezin bij
op en na een jaar of wat ook nog de drang om verder te studeren. In de loop der
tijd groeiden de onuitgewerkte ideeën, onvolwassen gedichten en onvoltooide
manuscripten dus aan tot een stuwmeer vol potentiële publicaties. Ik zadelde
mezelf op met een chronisch gekriebel. Maakt niet uit, dacht ik omstreeks de
eeuwwisseling. Als ik straks na vierendertig jaar voor de klas met een leuke
VUT-regeling ben afgezwaaid, vind ik wel tijd om er ECHT SERIEUS aan te
beginnen.
Dat bleek te kloppen. Het gekriebel is er nog steeds, alleen manifesteert het
zich tegenwoordig als een aangenaam gevoel. Omdat ik schrijf.
Mijn ouders hadden dus ongelijk. Zeker, ARBEID heeft nog steeds een hoge
prioriteit: elke ochtend zit ik gedisciplineerd achter mijn tekstverwerker, soms
al om half zes. De onderwijsbaan is gewoon door een andere vervangen:
uiteindelijk ben ik toch schrijver geworden, zij het met enige vertraging. Met
een productie van één thriller, één jeugdroman en een paar korte verhalen per
jaar zou je verwachten dat de voorraad ideeën en 'niet affe manuscripten'
geleidelijk aan begint te slinken. Niets is minder waar. Tot mijn eigen
verbazing schuiven achterin de ideeënbus regelmatig verse plots en invallen aan.
Op deze manier kan ik nog jaren vooruit.
In gesprekken met uitgevers merk ik dat ze mij een vreemde eend in de bijt
vinden. Iemand van voor in de zestig die nog carrière als auteur wil maken? Dat
moet wel een ijverige hobbyist zijn, een gedreven amateur. Aankomende schrijvers
van in de twintig of dertig, dat begrijpen ze wel. Daar zit potentie en —
hopelijk — continuïteit. Daar valt iets bij te dragen aan vorming en groei. Maar
een gretige zestiger met een portfolio vol manuscripten? Verkoopt dat wel?
Zo stuit ik nu op hetzelfde euvel als in mijn jonge jaren: wat ik doe wordt als
spielerei gezien. Verdorie, ditmaal zal het me geen vierendertig jaar
kosten het tegendeel te bewijzen. Wie denkt dat ik haast heb, zit ernaast. Neem
nou Mulisch — die is toch ook de tachtig al voorbij?
Zondag 10 augustus 2008.
John Brosens (1946) is auteur
van thrillers en jeugdboeken. Daarnaast schrijft hij onder het pseudoniem
Adriaan Broos ook gedichten. Zijn eerste thriller, Jacht op de Jager,
verscheen in 2004 bij uitgeverij Ellessy. Inmiddels staat nummer vijf op het
punt van verschijnen: Het Spoor van de Pandora. Zijn eerste jeugdroman
verscheen reeds in 1998. John Brosens woont en werkt in Vlissingen.
Heb je een mening over deze column?
Op het forum van Ezzulia is een topic over deze column van John Brosens. Geef daar je mening of discussieer met andere bezoekers van Ezzulia.
Kijk hier voor het speciale topic.
Meer columns? Kijk dan hier.



